Als dit geen integratie is, eet ik mijn klomp op

H ij vraagt of ik nog op vakantie ga. We zitten op een terras. Het is broeierig warm.

Uit de krant lees ik dat het groeizaam weer is. Ik verdenk de krant ervan woorden te verzinnen die niet bestaan. Hoe dan ook ligt de zomer onmiskenbaar over de stad. Hordes toeristen geven me het gevoel op een plek te wonen die de moeite van het bezoeken waard is. Naast ons zitten een paar aangeschoten studentes. Ze zeggen dingen tegen elkaar als ‘Er zijn mannen genoeg’. In de verte rommelt de lucht. ‘Het drukt’, zegt een man aan de andere kant van ons. ‘Het gaat regenen’, knikt zijn vrouw eensgezind.

Een aantal mensen zoekt alvast een tafeltje binnen. Wij blijven zitten. Op dit soort momenten heeft Nederland iets van de tropen. Warme regen is van een ander soort nat. De ober haast zich naar buiten om lunchkaarten te redden. Hij doet de parasols open. Een kwartier lang zitten we onder een tent met gordijnen van water. Dan breekt het weer open. Zonlicht en het terras dat langzaam weer volloopt. Ik vertel dat ik niet echt op vakantie ga, maar dat we over een paar weken een weekeinde weg gaan. Ik heb geen tijd om eerder of langer te gaan. Ik neem immers Aafs column in nrc.next over. Drie weken lang op een prominente plek, in een fijne krant, zeg ik niet zonder trots. „Zal mij benieuwen”, snuift hij. „Ik dacht dat jij als integrerende allochtoon geen mening durfde te hebben.”

We zullen zien.

Ik vraag hem wat er zoal te doen is, deze zomer. Ik moet immers onderwerpen hebben. Elke dag een stuk inleveren is wat anders dan twee jaar aan een roman schrijven. Maar feit is dat de stad op zijn leukst in de zomer is. Als we ons huis uitkomen, en elkaar zien. Als de boel wat lucht krijgt. Als je achter een gordijn van regen wijn kunt drinken in je T-shirt. Onderwerpen genoeg. En als de drie weken van verslag doen, voorbij zijn, ga ik op vakantie.

„Wat ga je doen”, vraagt hij. Met een tractor door Friesland. 20 kilometer per uur, en dan overnachten in een houten woonwagen. Hij kijkt me verbaasd aan. „Jij? Op een tractor?” Hij barst in lachen uit. De mensen naast ons kijken geamuseerd op.

Ja, ik ben ongetwijfeld de eerste Surinamer op een Friese tractor. Je kunt erom lachen, maar als dit geen integratie is, eet ik mijn klomp op.

Karin Amatmoekrim

Schrijfster Karin Amatmoekrim staat de komende drie weken op deze plek. Aaf is op vakantie.