We zijn erg laat volwassen

Wat maakt de mens uniek? In de zomer van het Darwinjaar zoekt de redactie wetenschappen naar antwoorden. Deze week: hulpeloze kinderen.

We zijn erg laat volwassen. beeld Frank Dam Dam, Frank

Een kind aan de borst en een kind aan de rokken. Terwijl moeder haar baby voedt, is de oudere broer of zus van die zuigeling ook nog helemaal van moeder afhankelijk. Dat is typisch menselijk. Een ree, een walvis, een gorilla, een olifant: ze krijgen allemaal pas een volgend jong als het eerste zelfstandig is. En ook soorten die meerlingen krijgen, zoals muizen en honden, laten hun worpen niet overlappen. Zorgen voor jongen van verschillende leeftijden, dat doen echt alleen mensen.

Een jaloers gorilla- of olifantenkind blijft nog lang mokkend en zeurend om de moeder heen dralen zodra er een nieuwe baby arriveert, maar dat oudere kind kan dan al wel heel goed voor zichzelf zorgen. Hetzelfde geldt voor beverjongen. Die mogen nog een extra winter in de burcht blijven, maar meer dan een dak boven hun hoofd hoeven ze niet te verwachten. Geen vergelijk met de menselijke eerstgeborene, die nog altijd hulpeloos is als nummer twee arriveert.

Hoe zit dat dan? Het simpele antwoord luidt: als mensen twaalf of zestien jaar zouden wachten met een tweede kind, dan zou het in veel gevallen bij één kind blijven. Die situatie kan evolutionair gezien nooit lang standhouden -- en dus eigenlijk in eerste instantie al nooit ontstaan.

We kunnen de vraag ook anders benaderen. Hoe krijgen mensen het voor elkaar, dat dubbele zorgen? Dankzij hulpvaardige medezorgers. De partner, de buren, de crècheleiders, en niet te vergeten de opa’s en oma’s. Kinderen met grootouders, zo bleek uit studies in Afrika, hebben een grotere overlevingskans dan kinderen zonder grootouders. Tot ver na hun eigen reproductieve leeftijd helpen de oma’s voedsel te verzamelen voor het jonge kroost en houden ze een oogje in het zeil.

Blijft de vraag: waarom doen mensen er zo idioot lang over om volwassen te worden?

Maurits van der Molen, hoogleraar biologische ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Amsterdam, heeft een antwoord. “Eigenlijk worden mensen te vroeg geboren”, zegt hij. “We komen ter wereld als onze hersenen nog lang niet af zijn. Daarom is er een relatief lange periode van hersenrijping nodig ná de geboorte.” Maar waarom is die periode dan zoveel langer dan bij andere diersoorten? Omdat onze hersenen veel complexere taken moeten kunnen uitvoeren en daarom veel complexer zijn, legt hij uit. “In de loop van de menselijke evolutie zijn onze sociale relaties steeds ingewikkelder en intensiever geworden”, vertelt hij. “Daardoor konden we als soort zo succesvol worden en nieuwe gebieden op aarde koloniseren.” Onze samenleving werd steeds georganiseerder, we maakten steeds betere gereedschappen en bovenal: we ontwikkelden taal. Voor dat alles waren steeds slimmere hersenen nodig. Maar zwanger zijn tot de hersenen klaar zijn, is geen optie. Dan zouden vrouwen zo'n groot bekken moeten hebben dat ze er niet meer mee zouden kunnen lopen.

Wanneer zijn mensenhersenen eigenlijk klaar? Na twaalf jaar? Na achttien jaar? “We weten tegenwoordig dat de hersenontwikkeling minstens tot ons vijfentwintigste doorgaat”, zegt Van der Molen. “Er komen tot ver na de adolescentie nog nieuwe hersenverbindingen bij, en overbodige verbindingen verdwijnen.”

Hoe definieer je dan ‘volwassen’? Is dat als je op eigen benen kunt staan? “Tja”, zegt Van der Molen, “honderdvijftig jaar geleden stonden we op eigen benen toen we dertien waren. Tegenwoordig wonen sommigen nog thuis als ze vijfentwintig zijn. Zijn we dan langer onvolwassen? Misschien wel.” Hoe ‘moderner’ de samenleving, des te later mensen volwassen worden, filosofeert de hoogleraar.