Virtuele banen

Nederlanders zijn al jaren zeer actief op netwerksites. Eerst privé op Hyves en nu ook beroepsmatig op LinkedIn. Heeft dat enig nut in tijden van economische crisis?

Klein foutje, dure broodjes. In plaats van 840 euro maakt een medewerker van Meeting Plaza in Maarssen in maart ruim 84.000 euro over aan zijn bakker. „Stom van ons natuurlijk”, zegt Ronald van den Hoff, eigenaar van dit congrescentrum. „Maar foutjes gebeuren nu eenmaal.” De bakker belooft het geld terug te storten, maar laat een week niets van zich horen. Als Van den Hoff opnieuw contact opneemt is de bakker verdwenen. Winkel gesloten, uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. De gedupeerde ondernemer stapt naar de politie. Een paar weken later volgt een briefje van de officier van justitie: het gemeenschapsbelang is gering, de man wordt niet vervolgd.

Van den Hoff is geschokt. „Hiermee kom je blijkbaar weg in Nederland.” Gefrustreerd zet hij een bericht op zijn weblog. ‘Openbaar ministerie doet niks: wat een lapswansen [sic]’. Ook plaatst hij een melding op Twitter, de populaire microblogdienst met berichten van sms-lengte, en op zijn profiel op de socialenetwerksite LinkedIn. Onmiddellijk reageert zijn netwerk. Een ondernemer wil haar honkbalknuppel pakken, een rijksambtenaar reageert constructiever: „Ik zal kijken of ik via mijn interne kanalen wat voor je kan betekenen. Heb je bericht in ieder geval rondgestuurd met de vraag of we er wat mee kunnen richting OM, Binnenlandse Zaken of Justitie.”

Geweldig, noemt Van den Hoff die tweede reactie. „Ik ben ook direct gebeld door diverse media. Het netwerk werkt fantastisch. Via de traditionele media had ik nooit zo snel zoveel aandacht gehad. Leefbaar Utrecht heeft zelfs vragen gesteld in de gemeenteraad.”

Inmiddels overweegt het OM alsnog achter de spoorloze bakker aan te gaan, zegt een woordvoerder van het Openbaar Ministerie in Utrecht. „Niet omdat meneer Van den Hoff ons op internet lapzwanzen noemt, maar op basis van nieuwe informatie uit eigen onderzoek en van zijn advocaat.” Van den Hoff zegt dat hij dat nooit voor elkaar had gekregen zonder zijn virtuele contacten. „Als ik ooit nog mijn geld terugkrijg, dan komt dat door mijn netwerk op internet.”

Ronald van den Hoff is niet de enige die gelooft in de kracht van ‘via via’, in virtuele sociale netwerken. Bijna 9 miljoen mensen zijn lid van Hyves, Twitter zit wereldwijd op 4 tot 5 miljoen actieve leden en 42 miljoen mensen zijn met elkaar verbonden via LinkedIn. Zij vertellen vrijblijvend wie ze zijn en wat ze doen, of proberen via hun contacten een nieuwe baan te vinden.

Maar hebben serieuze netwerken als LinkedIn ook daadwerkelijk nut, of zijn ze vooral een tijdrovende hobby? Vervullen ze een rol bij de economische crisis die om zich heen grijpt? En wat zijn de gevaren die aan dit soort virtuele netwerken kleven?

Op zakelijke netwerken als LinkedIn, Plaxo en Xing gaat het om werkervaring, opleiding en zakelijke contacten. En niet om verliefdheid, vakantiefoto’s en vriendjes zoals bij Hyves en Facebook. LinkedInners zijn ook ouder dan Hyvers of Facebookers (gemiddeld veertig tegenover twintig).

LinkedIn is verreweg het populairste netwerk voor professionals op internet. De site is in korte tijd fors gegroeid. In Nederland kwamen er vorig jaar maandelijks 40.000 nieuwe leden bij. Vaker hoger- dan lageropgeleiden. In Nederland zijn nu ruim 1 miljoen internetgebruikers lid, in België 400.000. Ook het gebruik neemt sterk toe. Tussen oktober 2008 en maart 2009 groeide het aantal bezoekers met 70 procent, aldus marktonderzoeksbureau Multiscope in ’s-Hertogenbosch. In maart bezochten 1,9 miljoen mensen de site.

„Ik zou willen dat iedereen zo actief is op LinkedIn als de Nederlandse leden”, zegt Kevin Eyres, Europees directeur van LinkedIn, vanuit Londen. „Enerzijds komt dat doordat in Nederland relatief veel mensen zijn aangesloten op internet. Anderzijds is het cultureel bepaald: Nederlanders zijn gewend om te werken en zaken te doen via netwerken. Natuurlijk speelt ook de recessie een rol.”

De economische crisis lijkt de groei van zakelijke sociale netwerken te stimuleren. LinkedIn groeit hard in sectoren en gebieden die zwaar zijn getroffen door de crisis, aldus Eyres. Bijvoorbeeld in Detroit, het centrum van de auto-industrie, en in de financiële sector in New York en Londen. Dat valt onder meer af te leiden uit de populariteit van LinkedIn Groups, subnetwerken rond een bedrijf, organisatie of thema. De LinkedIn-groep van ex-medewerkers van de Amerikaanse bank Lehman Brothers kreeg er eind vorig jaar bijvoorbeeld honderden leden bij. Zij zoeken steun en tips bij het vinden van een nieuwe baan.

Ook communicatiewetenschapper Marjolijn Antheunis (Universiteit van Amsterdam) ziet een relatie tussen de verslechterende economie en de groeiende populariteit van sociale netwerken. Zij promoveerde op 2 april op onderzoek naar sociale netwerken. „Vriendschappen en relaties zijn vaak utilitair, ze dienen een nut. Dit geldt nog sterker voor zakelijke relaties. We hebben het heel lang goed gehad. Nu verslechtert de economische situatie en doen we weer extra dingen voor het behoud van onze baan of het vinden van een nieuwe baan. Netwerken wordt dan belangrijker.”

Veel mensen bereiden zich voor op slechtere tijden, zegt Erik-Jan Gelink namens consultancybedrijf Deloitte. „Ook in Nederland. Werknemers poetsen hun onlinepresentatie op en organiseren zich op het web.” Zo komt een nieuw virtueel netwerk in de plaats van traditionele organisaties als vakbond, politieke partij en personeelsvereniging.

Mijn chef vroeg of ik even wilde meelopen

Neem bijvoorbeeld Frank Denneman, IT-consultant uit Purmerend. Hij werkte lange tijd bij Corus in IJmuiden. Niet in vaste dienst, maar via zijn eigen bedrijfje DTX. „Het zouden drie weken worden, maar het werden twaalf jaar.” Een jaar geleden hoorde hij voor het eerst dat Corus wilde bezuinigen en dat het bedrijf overwoog alle externe contracten op te zeggen. „Tot vrijdag 13 februari was het steeds: ‘Nee, nee, jij mag gewoon blijven’. Maar toen ik die dag op mijn werk kwam, vroeg mijn chef of ik even wilde meelopen. Dan weet je hoe laat het is.”

Denneman had toen al via LinkedIn contact met het Amsterdamse bureau InPeople. Die organisatie werft op LinkedIn consultants op het vakgebied van Denneman, het beheer van computernetwerken. „Mijn profiel sprak ze zeer aan. Of ik contact wilde opnemen.” Het klikte, op vrijdag 13 maart nam hij afscheid van Corus en op maandag 16 maart begon hij in eenzelfde functie bij de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Een heel leuke, nieuwe en frisse werkomgeving. Een match made in heaven.”

Ook in de bancaire sector is LinkedIn populair. Medewerkers en oud-medewerkers van ING, waar duizenden banen moeten verdwijnen, organiseren zich eveneens via het netwerk. „Ik heb nog nooit zoveel connectieverzoeken gehad als in de afgelopen maanden”, zegt Leonardo Giuliodori, beheerder van de LinkedIn-groep met de meeste ING-alumni (5.672 leden). Giuliodori werkte zes jaar bij ING Direct in Italië en is nu manager bij webverzekeraar Assicurazione.it in Milaan. „De meeste verzoeken lijken op elkaar: ‘Hallo, ik zoek een nieuwe baan... Kun jij mij helpen?’” Hij kent nog niemand die zo een nieuwe functie heeft gevonden. „Maar mensen weten wel wanneer het tijd is om iemand hun cv te sturen: als je op LinkedIn ziet dat diegene op een nieuwe, interessante plek is gaan werken. Dat doe ik zelf ook.”

Volgens communicatiewetenschapper Antheunis zijn onlinenetwerken populair omdat mensen de behoefte hebben om zichzelf te presenteren. „Op dergelijke sites heb je daar alle mogelijkheden toe. Dat is in zakelijke relaties nog belangrijker.” Daarnaast, zegt Antheunis, zie je al jaren een tendens van een steeds individuelere samenleving. „Dit komt door een heleboel dingen, maar internet speelt daarbij natuurlijk ook een rol. Het voordeel van online een netwerk onderhouden is dat je het kunt doen wanneer het je uitkomt. Ook dit sluit aan bij het individualisme van deze tijd. Je hoeft niet elke zaterdagochtend naar de hockeyclub of naar scouting. Je bepaalt zelf wanneer en hoeveel tijd je aan een netwerk besteedt.”

Een mooie baan als directeur bij een orkest

Joop Daalmeijer, directeur van omroep NPS, heeft een aardig voorbeeld van het nut van sociale netwerken. Vanuit een nevenfunctie bij het orkest de Filharmonie in Antwerpen zocht hij twee maanden geleden een kandidaat voor „een mooie baan als algemeen directeur van een groot professioneel orkest”. „Ik kon toen nog niet zeggen om welk gezelschap het ging. We hebben eerst een headhuntersbureau ingeschakeld maar dat kwam met de overbekende namen. Ik heb toen een oproep op LinkedIn gezet.” Dat wil zeggen: hij plaatste de vacature in zijn ‘status-regel’, de plek op een profielpagina om te schrijven wat een gebruiker op dat moment aan het doen is; die informatie wordt verspreid onder alle connecties. „Binnen een dag had ik zes interessante kandidaten uit onverwachte hoek.” Het Antwerpse orkest heeft inmiddels Hans Verbugt benoemd, adjunct-directeur van het Conservatorium Amsterdam. „Ik had zelf Hans al op mijn lijstje en ik werd daarin bevestigd door mijn Linkedln-vraag, waarop ik zo’n tien keer zijn naam doorkreeg.”

Zulke onverwachte verbintenissen maken LinkedIn populair bij werkzoekenden. Dat merkt ook staatssecretaris Jack de Vries (Defensie, CDA). „Via LinkedIn krijg ik regelmatig berichtjes van mensen die vragen of zij bij ons kunnen komen werken. Die stuur ik door naar onze wervingsafdeling. Het aantal vragen is de laatste maanden gestegen.” De Vries gebruikt virtuele netwerken met name om te horen wat er leeft onder medewerkers van de krijgsmacht, uitgezonden militairen, hun familie, veteranen. Hij besteedt wekelijks 1 à 2 uur aan zijn blog, Hyves en LinkedIn. Op internet werkt het ministerie van Defensie ook samen met weblog GeenStijl, heeft het al enige tijd een YouTube-videokanaal en is het sinds kort actief op Twitter met verwijzingen naar persberichten. Defensie hoopt zo een positief beeld van de krijgsmacht uit te dragen. Of de onlineactiviteiten renderen, blijft enigszins onduidelijk. Defensie heeft alleen cijfers over de GeenStijl-actie in Uruzgan (verslaggever Rutger Castricum maakte daar filmpjes): 35 kijkers solliciteerden naar een baan bij het leger.

Defensie doet in ieder geval wat veel netwerkexperts aanraden: beperk je niet tot één onlinedienst. Wie succesvol wil zijn in sociale netwerken moet verschillende diensten combineren en zeker niet het echte, ‘offline’ contact verwaarlozen. Neem John Kivit, directeur van bureau Multiscope in ’s-Hertogenbosch, bekend van de jaarlijkse Top-20 van populairste websites van Nederland. Via LinkedIn en Twitter vond Kivit investeerders voor een nieuw automatiseringsbedrijf in Roemenië. „Zonder sociale media was me dat nooit gelukt.” Kivit voerde onlangs sollicitatiegesprekken in Roemenië. De kandidaten stelden hem soms voor verrassingen. „Een sollicitant zei: ‘Ja, ik weet dat je kinderen hebt, twee meisjes en een jongen’. Dat hebben ze gezien op mijn foto’s bij Flickr.com. Openheid is goed, maar je moet je bewust zijn dat je wordt bekeken.”

Deze laatste opmerking illustreert het dilemma van veel gebruikers van sociale netwerken. Wat vertel je wel en wat niet? Een verzameling mensen en hun relaties heeft grote baat bij openheid. Hoe meer gebruikers over zichzelf vertellen, hoe rijker de contacten. En hoe interessanter het netwerk is voor adverteerders. LinkedIn moedigt aan om loslippig te zijn: ‘Your profile is 85 procent complete’. Lees: vertel alles over jezelf en haal die 100 procent!

Maar die openheid heeft ook een keerzijde. Wie zich online bloot geeft, maakt zich kwetsbaar.

Ach, zeggen voorstanders, het is net zoals vroeger: je staat in het café en je vertelt over je werk. Maar internet is anders. Wat je schrijft is explicieter, het blijft voor altijd online. Het sociale netwerk Plaxo, een kleinere concurrent van LinkedIn, verstuurt nog connectieverzoeken van mensen die zijn overleden. De vermeende beslotenheid van internet maakt sommige mensen openhartiger. Dat kan riskant zijn, waarschuwde het Europese agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging ENISA al in 2007. „Sociale netwerken zijn een gevaarlijk, krachtig gereedschap in handen van spammers, marketeers zonder scrupules en anderen die op criminele wijze voordeel willen halen ten koste van gebruikers.”

Begin april gaf de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) eenzelfde waarschuwing. In een notitie schrijft de dienst dat onder anderen dierenrechtenextremisten vaak internet gebruiken om aan informatie te komen. „Zorg er daarom voor dat zo min mogelijk privégegevens op internet verschijnen”, schrijft de AIVD. „Wees zeer terughoudend met het geven van informatie op Hyves en LinkedIn.” Een woordvoerder van de AIVD bevestigt dat de dienst concrete aanwijzingen heeft dat dierenactivisten in een aantal zaken informatie van internet hebben gebruikt, maar zij wil daar in het kader van lopend onderzoek niets over kwijt.

Sommige LinkedIn-gebruikers vertellen ook trots dat zij zelf werken of hebben gewerkt voor een van de veiligheidsdiensten. Of dat zij zijn doorgelicht door AIVD of MIVD. Een jaar geleden stelden de Tweede Kamerleden Gerkens en Van Raak van de SP vragen aan minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) over deze „onvoorzichtigheid”. De minister antwoordde toen „het niet wenselijk te vinden dat externe medewerkers er de aandacht op vestigen voor de diensten te hebben gewerkt”.

Wie nu zoekt op LinkedIn naar AIVD, MIVD of NCTb (Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding) krijgt nog steeds tientallen hits. Zelfs personen in vertrouwelijke functies zoals het hoofd van de MIVD hebben een profiel met foto op LinkedIn. Generaal- majoor Pieter Cobelens blijkt een brede man met kort haar, snor en sigaar. Gebruikers vertellen trots dat zij wel eens een klus hebben gedaan voor een van de veiligheidsdiensten. „Voor hun eigen veiligheid is het niet handig om daarover open en bloot te communiceren”, zegt de woordvoerder van de AIVD. „Dat vertellen wij nieuwe medewerkers ook altijd. Maar wij hebben niet de indruk dat mensen via LinkedIn staatsgeheimen openbaren.” Kamerlid Arda Gerkens (SP) reageert verontrust als ze hoort dat LinkedIn-gebruikers nog steeds refereren aan de veiligheidsdiensten. „Als dat nog zoveel voorkomt, is dat een reden om opnieuw vragen aan de minister te stellen.”

Zwijg over je relatie met de AIVD

Chris Oostman, informatiebeveiligingsdeskundige uit Margraten, is zo’n LinkedIn-gebruiker met een openhartig cv. Hij vermeldt dat hij werkte in vertrouwelijke functies bij Vodafone en een bedrijf dat meewerkte aan Galileo, het Europese antwoord op gps. De antecedenten van Oostman zijn onderzocht door meerdere veiligheidsdiensten, zoals meer mensen in dergelijke functies.

Aan de telefoon is Oostman al net zo enthousiast als op zijn profiel. Hij vertelt aanvankelijk honderduit over zijn AIVD-screening. „Voor het niveau A, top secret, krijg je altijd bezoek aan huis. Een AIVD’er komt vragen stellen, over vreemdgaan, drugs, gokken. Ze controleren of je niet chantabel bent.” Maar, vraagt hij na een tijdje, heeft u al die informatie van internet? „Misschien moet ik mijn profiel maar eens aanpassen. Aan de andere kant: er staat wat mij betreft niets dat niet bekend mag worden. Er zijn bedrijven in mijn sector die specifiek vragen om medewerkers met een clearance van de veiligheidsdiensten.”

Een relevant argument voor Oostman, want hij zoekt een baan. Hij werkte enkele maanden bij een automatiseringsbedrijf in Amstelveen maar dat kreeg door de crisis geen opdrachten meer. „Nu sta ik aan het eind van mijn proeftijd op straat en zoek ik een nieuwe baan. Dat valt nog niet mee.” Hij heeft zijn hoop onder meer gevestigd op zijn onlinenetwerk.

Maar er kleven meer bezwaren aan netwerken als LinkedIn. „Word er niet verslaafd aan”, waarschuwt Michel Ranzijn uit Heiloo, projectmanager bij een educatieve uitgeverij en veelgebruiker van sociale netwerken. Volgens hem is de consument niet goed beschermd in de digitale wereld. „De relatie tussen klant en website is heel losjes. Sites kunnen simpel hun gebruikersvoorwaarden aanpassen, hun gratis service uitkleden en populaire diensten onderbrengen in een betaald abonnement.”

Dat is geen hypothetisch gevaar, zegt Ranzijn. „Ik ben lid van het muzieknetwerk Last.fm. Niet alleen om te luisteren, maar ook om te discussiëren over muziek. Last.fm vroeg onlangs plotseling geld voor zijn site. Overigens alleen in Europa en niet in de VS. Sites mogen dat doen, ik heb het nagevraagd bij de Europese Commissie.” Ook het Amerikaanse vriendennetwerk Facebook en het Nederlandse Schoolbank.nl hebben recent hun voorwaarden aangepast ten nadele van gebruikers.

Europees directeur Kevin Eyres van LinkedIn stelt dat zijn netwerk „altijd een gratis dienst blijft aanbieden”. Of die alle functionaliteiten heeft als de huidige dienst kan hij niet zeggen. „Maar gratis is ook in ons belang. Het netwerk leeft dankzij zijn grote omvang.”

Virtuele netwerken blijven leven, stelt Ronald van den Hoff, de man van de dure broodjes. Niet alleen tijdens de crisis, maar vooral in een samenleving die zijn traditionele systemen verliest. „De oude netwerken en organisaties moeten een antwoord formuleren op de vraag wat zij gaan doen met deze nieuwe manieren waarop mensen zich organiseren. Dat is de grootste uitdaging voor de media, de vakbonden, de politiek.”