Franser dan die verfoeide Fransen zelf

Aanhangers van de verdreven president van Madagascar vermoeden smerig spel van oud-kolonisator Frankrijk. Ze zweren wel bij foie gras, stokbrood en croissants.

Crèmekleurige Renault 4’s en lelijke eendjes denderen in colonne door de smalle kasseienstraatjes van de hoofdstad van Madagascar. Het zijn taxi’s. Een beetje krap is het wel, maar waarom zou een ritje in een tijdmachine comfortabel moeten zijn?

Wie vanuit de krakende koekblikken door de wimpers van zijn ogen kijkt, waant zich zonder al te veel verbeeldingsvermogen in een Frans provinciestadje van dertig jaar terug. De mooi verlichte etalages van de plaatselijke banketbakker, de licht vervallen katholieke kerk, het flikkerende groene kruis van la pharmacie: elk moment kan het peloton de steile Grande Rue opdraaien. Een gendarme met een pet als een steelpan zonder steel staat al klaar op de hoek van de straat. Hij ziet eruit als een verdwaalde Indonesiër.

Ongeveer 160 miljoen jaar geleden scheurde Madagascar van Afrika af en 80 miljoen jaar later ontworstelde het zich als eiland van het Indiase subcontinent. Maar de eerste bewoners kwamen volgens de meeste wetenschappers pas zo’n 200 voor Christus over zee van wat nu Borneo en Sulawesi zijn. Daarna staken Oost-Afrikanen het Kanaal van Mozambique over en landden Arabieren in het noorden. Maar de nationale taal, het Malagasi, behoort tot de Austronesische talen, die verder vooral in de buurt van Indonesië worden gesproken. En het grootste deel van de bevolking rondom de hoofdstad heeft nog altijd sterke Indonesische trekken.

Wie een Malagassiër echt wil beledigen, begint over Afrika. „Madagascar is het achtste continent”, zegt socioloog André Rasolo. „We horen bij Afrika noch bij Azië.”

Maar in 1883 kwamen de Fransen. En eigenlijk gingen ze nooit meer weg. In 1960 werd het eiland in de Indische Oceaan, zo groot als Frankrijk zelf, weliswaar onafhankelijk, maar de elite in Antananarivo bleef Franser dan de Fransen. Geen diner in de hoofdstad zonder foie gras of confit de canard, geen ontbijt zonder croissant, stokbrood en een sloot café au lait. Het toeristenwinkeltje op het vliegveld verkoopt volgens de kassajuffrouw meer lokaal ingeblikte eendenlever dan enige andere nationale souvenir.

En toen kwam in 2002 Marc Ravalomanana. De zakenman die per fiets langs de deuren ging om thuisgemaakte yoghurt te verkopen en later een vermogen vergaarde met een de facto monopolie op zuivelproducten werd na omstreden verkiezingen president. Hij wilde Madagascar ontwikkelen en keek daarvoor niet in de eerste plaats naar de voormalige kolonisator. Zijn Frans was maar matig en in 2007 introduceerde hij het Engels als derde officiële taal. Hij deed zaken met Aziaten en met Zuid-Afrikanen en het niet-Afrikaanse Madagascar sloot zich op zijn initiatief aan bij de Southern African Development Community (SADC).

Vorig jaar schoffeerde Ravalomanana – een ‘bijgelovige protestant’, zoals Le Figaro schreef – de Fransen door de geloofsbrieven van hun nieuwe ambassadeur niet te accepteren. Gildas Le Lidec diende eerder in Congo en Ivoorkust, waar de plaatselijke staatshoofden kort na zijn aantreden werden afgezet. Dat kon Ravalomanana in Madagascar niet hebben. Maar begin dit jaar werd de president na wekenlange protesten alsnog de laan uit gestuurd. De jonge ex-diskjockey die hem verving, Andry Rajoelina, spreekt vloeiend Frans en geen woord Engels. Ravalomanana vluchtte naar Zuid-Afrika, zijn zakenimperium werd geplunderd en ontmanteld. Foie gras mag in overvloed beschikbaar zijn, een pak melk is nu schaars in Madagascar.

Voor Ravalomanana is het zonneklaar: de Fransen zitten achter de staatsgreep van Rajoelina. „Het Franse doel is om Madagascar te herkoloniseren en de Malagassische mensen als slaaf te onderwerpen”, zei Ravalomanana in mei in een radiotoespraak. Volgens zijn aanhangers hebben de Fransen Rajoelina miljoenen euro’s toegestopt om in januari mensen te betalen om tegen het regime van Ravalomanana te demonstreren.

Toen de Fransen in maart een nieuwe zaakgelastigde stuurden en de nieuwe president met de ambassadeur poseerde voor de foto, was dat voor Ravalomanana cum suis het sluitende bewijs dat de Fransen onder één hoedje speelden met de diskjockey. De Fransen zelf ontkennen iets met de machtswisseling te maken te hebben en weigeren, net als de rest van de EU-landen, het bewind van Rajoelina te erkennen. Maar het verhaal over de Franse steun voor Rajoelina is hardnekkig.

Dagelijks demonstreren de ‘legalisten’, zoals de aanhangers van Ravalomanana zich noemen, bij het karkas van een van de in januari in brand gestoken bedrijven van de president. Ze zingen, ze spreken en ze preken over de op handen zijnde wederkomst van ‘dada’ Ravalomanana, de verdreven president die voor hen tot een vaderfiguur is uitgegroeid.

Een van de actievoerders verspreidt daar een gestencilde open brief aan ‘Ces messieurs du Quai d’Orsay’, waarin hij uitlegt dat ‘liberté, egalité et fraternité’ „blijkbaar alleen van toepassing zijn op Frankrijk en de Fransen zelf en niet op de voormalige koloniën”. De brief is ondertekend met ‘un grand père patriote malagasy’.

Net als de patriottische opa zijn brief wil toelichten, heffen de legalisten een van hun dagelijks terugkerende strijdliederen aan. Geëmotioneerd en met de hand op het hart alsof het volkslied gespeeld wordt klinkt uit duizenden kelen een klassieker van Radio Tour de France: ‘Et j’ai crié, crié, Aline, pour qu’elle revienne/ Et j’ai pleuré, pleuré, oh! J’avais trop de peine...’ De smartlap uit 1965 heet ‘Aline’ en de zanger was Christophe. Hij was de meest Amerikaanse artiest die Frankrijk ooit heeft voortgebracht, bezweert de oude baas.

    • Peter Vermaas