Betrek middenklasse bij ontwikkelingswerk

Laat een adviesraad, bestaand uit experts uit het ontwikkelingsland zelf, voortaan Westerse projectaanvragen beoordelen, schrijven Arnob Chakrabarty en Nies Medema.

Betrek middenklasse bij ontwikkelingshulp. Illustratie Lobke van Aar Aar, Lobke van

Het misverstand begint al bij de naam. Elk jaar geeft de Nederlandse regering zo’n vijf miljard euro uit onder de noemer ‘ontwikkelingssamenwerking’. Er zijn op dit moment 36 landen met wie de regering ‘samenwerkt’. Het aantal fluctueert per regeerperiode; bijna elke minister voor Ontwikkelingssamenwerking gaat op zoek naar landen met wie hij of zij wil ‘samenwerken’, ook de huidige minister. Ongetwijfeld met de beste bedoelingen. Maar men vergeet daarbij een belangrijke, misschien wel de belangrijkste vraag: hebben we echt contact met het land of de samenleving met en voor wie we ‘samenwerken’?

In Bangladesh, het armste land ter wereld, staan gewoon universiteiten. Ieder jaar studeren er ingenieurs, economen en artsen af. Er zijn rechters, journalisten, managers bij grote bedrijven. Mensen die betrokken zijn bij hun land, en die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het land. Bijzonder is dat zij nauwelijks een rol spelen bij het ontwikkelingswerk dat bijvoorbeeld Nederland in Bangladesh doet.

Vanuit het Westen gaan grofweg twee soorten hulpverleners naar het ontwikkelingsland. De ene groep gaat rechtstreeks werken voor een project en begeeft zich onder de allerzwaksten, mensen die zich aan de onderkant van de samenleving bevinden: gehandicapten, straatkinderen, krottenwijkbewoners, arme vrouwen op het platteland. Ze helpen mensen die ze noch qua kennisniveau, noch qua cultuur echt kunnen begrijpen, met als gevolg dat ze werken met mensen met wie ze geen gelijkwaardige dialoog kunnen aangaan. Deze hulpverleners weten vaak niet dat er heel veel mensen in het land – intellectuelen, studenten, leraren, mensen uit de middenklasse – ook druk bezig zijn met hetzelfde als wat zij ook doen: armoedebestrijding en waterbouwkunde, om maar eens twee voorbeelden te noemen.

De tweede groep hulpverleners gaat naar de hoofdstad van het ontwikkelingsland, en werkt vanuit zijn kantoor van de ambassade of het consultancybedrijf. Ook zij hebben nauwelijks contact met het maatschappelijke middenveld. De mensen die ze voor hun werk spreken, zijn lokale ambtenaren, vertegenwoordigers van ngo’s met wie ze een samenwerkingsverband hebben en een aantal lokale economen die op de loonlijst van de ambassade of van het consultancybedrijf staan. Ze praten niet met andere deskundigen. Ze kunnen doorgaans de ontwikkelingen in het land ook niet via de media volgen want ze kennen de taal niet. Mensen die ze buiten hun werk spreken zijn andere westerlingen op de tennisbaan van de Dutch Club. Het contact met het land blijft mede daardoor vluchtig. De kok, de bewaker en de dienstbode zijn de meest nabije kennissen onder de lokale bevolking.

Muzaffar Ahmad is econoom en hoogleraar aan het Instituut van Bestuurskunde van de universiteit van Dhaka, en voorzitter van Transparency International Bangladesh (TIB), de Bengaalse tak van de internationale organisatie tegen corruptie. Ahmad voerde jarenlang een spraakmakende rechtszaak tegen de grootste ngo ter wereld: Brac. De hulporganisatie met 90.000 werknemers doet niet alleen aan liefdadigheid maar heeft ook talloze commerciële ondernemingen. Volgens Ahmad was de balans tussen deze twee verschillende activiteiten al lang zoek. Brac mocht volgens hem dan ook niet meer de fiscale voordelen bedoeld voor hulporganisaties krijgen. Brac moest gewoon worden ingeschreven als commerciële onderneming, aldus Ahmad. Bengaalse kranten schreven er regelmatig over, en bijna iedereen in Bangladesh met een beetje interesse in ontwikkelingssamenwerking volgde de zaak op de voet, maar de zaak ging volledig voorbij aan de deskundigen werkzaam bij de westerse ambassades. En dat terwijl Brac miljoenen euro’s ontvangt van Europese regeringen en niet-gouvernementele organisaties, ook die uit Nederland.

Iedereen kent het verhaal van de waterpompen in een willekeurig arm land die daar waren neergezet door een organisatie, die ze een jaar later ongebruikt weer terug vond. Iedereen weet nu ook hoe dat kwam: de bevolking voelde zich niet verantwoordelijk voor de pompen en nam het onderhoud ervoor niet op zich.

Toch blijft het onbegrijpelijk – ze hadden toch water nodig?

Tot in de jaren tachtig waren de opvattingen in het Westen over ontwikkelingssamenwerking anders dan nu. Er gingen deskundigen, bijvoorbeeld ingenieurs, massaal naar ontwikkelingslanden om daar een paar jaar te ‘helpen’. Maar toen kwam een omslag: de mensen in arme landen moesten het zelf doen. We moesten ons terugtrekken en op afstand kijken of onze gelden juist werden besteed. Hulpverlening is sindsdien professioneler geworden. Er zijn geavanceerde systemen voor evaluatie van projecten en voor het beoordelen van subsidieaanvragen. Tegelijkertijd is het contact tussen de hulpgever en de hulpontvanger almaar afgenomen.

Maar wie zijn de ‘mensen in arme landen’ die het werk zelf moesten doen? In werkelijkheid is er in ontwikkelingslanden sindsdien een nieuwe groep mensen, of een nieuwe klasse ontstaan: Dat zijn mensen die westerse ambassades en hulporganisaties warm weten te krijgen voor hun projecten. Het is een aparte groep, bijna los van de samenleving. Ze bemoeien zich niet met de politiek of met de mensenrechten van het land want dat is gevaarlijk voor hun project. Ze plaatsen zich samen met hun doelgroep, de allerarmsten, buiten de samenleving. Een internationaal subsidienetwerk dus, dat nauwelijks aansluiting heeft op de samenleving waar het voor bedoeld is.

De middenklasse van het ontwikkelingsland, de motor van elke verandering, komt vrijwel nergens in beeld. Leraren, middenstanders, studenten, ambtenaren en managers bij grote bedrijven zien op weg naar hun werk af en toe de jeep van de hulporganisaties voorbij razen, maar daar blijft het bij. Ontwikkelingshulp is immers niet voor hen bedoeld, ze houden zich er dan ook niet mee bezig.

Daar komt bij dat ngo’s geen verantwoordelijkheid hoeven af te leggen in het land waar ze werken. Bijna elk ontwikkelingsland heeft een ministerie of afdeling voor ngo-zaken, maar er is tot nu toe geen mechanisme ontwikkeld om ngo’s verantwoording af te laten leggen aan de bevolking, de overheid of aan de doelgroep. Ook niet via de media.

En de afnemer van de ‘hulp’ zelf? De hulpbehoevenden mogen niet klagen, moeten dankbaar zijn voor alles wat ze krijgen. Aan hen wordt niets gevraagd. Ontwikkelingssamenwerking is verworden tot een spel tussen de donor, consultant en ‘lokale partner’. Dat is het wezenlijke probleem van ontwikkelingshulp dat ook de Amerikaanse topeconoom William Easterly schetst: de echte afnemer van een ontwikkelingsproject is in elk geval niet degene aan wie hulp wordt geboden.

Er is een mechanisme nodig dat aansluit op de dynamiek van het land. De middenklasse en intellectuelen spelen daar noodzakelijkerwijs een grote rol in. Een adviesraad – gevormd door mensen van de plaatselijke ambassades, maar vooral door experts uit het land zelf – voor elk land dat ontwikkelingsgeld vanuit Nederland ontvangt, kan daarbij uitkomst bieden. Nederlandse en plaatselijke ngo’s die een aanvraag willen doen, kunnen bij deze adviesraad te rade gaan. Alle projectaanvragen worden door hen beoordeeld. In die raad zitten deskundigen op het gebied van bijvoorbeeld economie en onderwijs.

De deskundigen hoeven in de huidige tijd waarin projectplannen per e-mail in luttele seconden de wereld over kunnen, niet per se te wonen in het land waar de projecten of programma's georganiseerd worden. Het kunnen bijvoorbeeld ook nieuwe Nederlanders zijn, afkomstig uit het desbetreffende land. Veel vluchtelingen- of migrantenorganisaties werken al aan ontwikkeling in hun geboortelanden. Zij hebben veel ervaring en kunnen deze gebruiken om andere projecten te beoordelen.

De ‘ontvangers’ zouden, samen met lokale en externe deskundigen een project moeten (kunnen) evalueren. En die evaluatie zou als basis moeten dienen voor een eventueel vervolgproject. De ‘ontvangers’ van projecten zijn immers de echte klanten.

Het ontwikkelen en uitbreiden van partnerschappen tussen mensen met dezelfde interessen, specialismen en vakgebieden uit het donorland en het ontwikkelingsland is daarom belangrijk. Een groot voordeel van partnerschap met intellectuelen en professionals in een ontwikkelingsland is dat zij vaak het netwerk hebben dat de ontwikkelingswerker ontbeert. Zij kennen de codes, weten hoe ze contact moeten leggen met andere bevolkingsgroepen die moeilijker bereikbaar zijn. Juist de armen spreken geen Engels of een andere internationale taal, juist de armen weten niet hoe ze aanspraak moeten maken op fondsen die juist voor hen bedoeld zijn.

Onafhankelijke deskundigen, zoals hoogleraren en journalisten, kunnen onderzoek doen. Ze volgen de economische ontwikkeling van een land al jaren op de voet, kennen de sociale structuur en weten hoe ze mensen moeten benaderen. Het is voor buitenlandse ontwikkelingswerkers ondoenlijk om in korte tijd in een vreemd land overal de weg te kennen en alle sociale codes te absorberen. Het ontwikkelen van partnerschappen zou daarin een grote stap zijn. En die partners kunnen weer een ander netwerk onderhouden, waardoor ontwikkeling als een olievlek zou kunnen uitbreiden.

Ontwikkeling is een proces, geen product. Je kunt het niet exporteren als poedermelk of appels. Idealiter leren de gever en de ontvanger in dat proces samen.

Arnob Chakrabarty en Nies Medema zijn journalist en werken voor onfile.eu , exponto.nl en partshala.net. Dit artikel is een bewerking van het essay dat verschijnt in de serie Heilige Huisjes, initiatief van o.a. de IS-academie, Coolpolitics en Buitenlandse Zaken.

    • Arnob Chakrabarty
    • Nies Medema