Alle dorpen sterven

Zomaar een Russisch dorp: Ignatjevskoje, ten zuiden van Moskou. Vrachtwagens rijden de weg naar het dorp kapot. De dorpelingen weten wie de schuldige is: Jelana Batoerina, de rijkste vrouw van Rusland, echtgenote van de burgemeester van Moskou en vrijwel zeker de eigenaresse van de zandgroeve in het dorp.

Vooral de vijfhonderd meter voorbij de melkfabriek zijn een kwelling voor auto’s. beeld Oleg Klimov Foto AFP broken road by cargo-tracks in the village Ilinskoye. For the story by Michel Krielaars (supliment) Photo by Oleg Klimov NRC

Een oude vrouw met een boodschappentas stapt uit een stofwolk van een passerende vrachtwagen. De zon brandt op haar hoofd. Ze heeft het zichtbaar zwaar. Bij de verzakte bushalte schuilt ze even in de schaduw om na een halve minuut haar weg te vervolgen. Ze heet Vera Zagarenkova en is 72 jaar oud. „Het komt allemaal doordat de bus niet verder rijdt dan de melkfabriek, anderhalve kilometer terug”, zegt ze puffend. „De vrachtwagens van de zandgroeve hebben de weg verwoest. Daardoor moet ik nu acht kilometer lopen om in mijn dorp te komen. Een taxi kost 250 roebel en dat kan ik niet betalen van mijn pensioentje.”

Vera sloft verder en wordt ingehaald door een andere vrachtwagen, en door nog één, en nog één. Ze stopt weer en bromt: „Ik ben een invalide en mag me helemaal niet zo inspannen. Maar omdat de weg stuk is, moet ik wel. Want alleen in de stad kan ik boodschappen doen en mijn medicijnen krijgen.”

Over de kapotte weg slingeren nu twee personenauto’s als schepen in een storm. Angstvallig proberen ze de diepe kuilen te ontwijken die het onophoudelijke vrachtverkeer in het bejaarde asfalt heeft geslagen. Soms kantelen ze bijna in hun trage gang. Vanaf de melkfabriek Panskoje tot aan het centrum van Ignatjevskoje, dorp in de provincie Kaloega op 125 kilometer onder Moskou, liggen enkele kilometers Afrika.

Tegenover de verweesde bushalte woont de bejaarde arbeider Nikolaj Orlov met zijn vrouw Lena in een vervallen, blauw houten huisje dat uitkijkt op een weids groen dal waar een idyllisch riviertje stroomt. Boven de afgebladderde voordeur hangen twee hoefijzers. De verwaarloosde tuin ligt vol rotzooi. Nikolaj is boos. „Al twee maanden moeten we het zonder bus doen”, slist hij tussen zijn twee voortanden door. „Allemaal dankzij die vrachtwagens van de zandgroeve. Er mogen eigenlijk alleen auto’s tot een gewicht van drie ton over onze weg rijden en die vrachtwagens zijn veertig ton. De weg was al niet zo goed, maar nu is hij helemaal kapot. En ik moet om de haverklap naar het ziekenhuis en de apotheek in Malojaroslavets. Het is een nachtmerrie steeds maar weer dat eind naar de bushalte te moeten lopen.”

Lena wijst naar de zandgroeve, die in de verte met zijn gele heuvels uit het groen steekt. „Een jaar geleden begon de ellende”, vertelt ze, terwijl er een kip om haar heen drentelt. „Toen kocht Jelena Batoerina de zandgroeve en begonnen de vrachtwagens te rijden. Dag en nacht. Ze brengen het zand naar allerlei plaatsen in Rusland. De autoriteiten hebben beloofd de weg te zullen repareren, maar ze doen niets.”

Eén miljard dollar privévermogen

De naam Batoerina gonst overal in het dorp: zij is eigenaar van megabouwbedrijf Inteko, echtgenote van de machtige burgemeester Joeri Loezjkov van Moskou en de rijkste vrouw van Rusland, met een geschat privévermogen van een miljard dollar. Maar ook al hebben de dorpsbewoners vrijwel zeker gelijk, het valt niet te bewijzen, want in Rusland zijn veel eigendomsverhoudingen geheim. Het vermoeden van de dorpelingen wordt hooguit versterkt doordat een groot deel van de grond in de provincie Kaloega eigendom van Batoerina is. Ze verkoopt of verpacht die aan bedrijven als Samsung, die er een filiaal neerzetten omdat ze in Kaloega minder belasting hoeven te betalen dan in de provincie Moskou. Als ook de zandgroeve in handen van Batoerina is, zou dat verklaren waarom de lokale autoriteiten het vrachtverkeer niet durven stil te leggen.

De situatie in Ignatjevskoje is typerend voor Rusland, waar het grote geld regeert en zich aan geen enkele wet stoort. Bovendien onderhoudt dat geld uitstekende, vaak door corruptie versterkte banden met het gezag, waardoor het vrijwel onmogelijk is misstanden aan de kaak te stellen. Zij die dat toch doen, betalen daarvoor vaak met hun leven. De weg van Ignatjevskoje lijkt gedoemd tot eeuwig verval.

Iedereen praat over de weg

In de dorpswinkel, een verzakte bouwval, doet op zaterdagmiddag iedereen zijn boodschappen. De schappen zijn gevuld met bier, wodka, frisdrank, chips, chocola. Op de toonbank zijn een paar oude broden op elkaar gestapeld. In de vrieskist liggen een paar kippen en wat ijsjes. Genoeg voor het dagelijkse overleven.

Een ladderzatte jongeman mompelt wat voor zich uit, terwijl hij een prop roebelbiljetten uit zijn borstzak trekt. „Weer een tweeliterfles?” vraagt Galina Ivanova, de eigenaar van de winkel. Hij knikt en valt bijna om. Met zijn nieuwe biervoorraad onder zijn arm schuifelt hij naar buiten. Op de stoep, in de schaduw, gieten twee twintigers halve liters bier in hun keel. Het is zaterdagmiddag half een, tijd voor de fles.

Maar dronken of nuchter, iedereen heeft het over één ding: de weg, die hun dorp praktisch onbereikbaar maakt voor mensen zonder auto. Bouwvakker Sasja Danilov, een van de twintigers, haalt zijn schouders erover op. „De eigenaar van de zandgroeve heeft de lokale overheid 70 miljoen roebel (1,6 miljoen euro) betaald om de weg te repareren, maar er is nog niets gebeurd”, zegt hij tijdens een drinkpauze.

De 73-jarige Valentina Melnikova komt aanlopen met haar boodschappenkarretje. Ze is die ochtend uit het nabijgelegen stadje Malojaroslavets vertrokken om het weekend op haar datsja in Ignatjevskoje door te brengen. „Ik heb vanaf Panskoje veertig minuten moeten lopen om hier te komen”, zegt ze. „En dat in die hitte.”

In de winkel is het inmiddels leeg. Galina Ivanova herschikt de vacuümverpakte worsten op haar toonbank. „Het was zojuist even druk omdat het weekend is en de datsjabewoners er zijn”, zegt ze. „Maar buiten de lente en de zomer is het hier praktisch onmogelijk te leven. Want we hebben geen gas om onze huizen te verwarmen, terwijl dat toch een nationaal project van de regering was. Stromend water is er evenmin, dat halen we uit de put die drie jaar geleden is geslagen.”

Over de weg naar de zandgroeve rijden de vrachtwagens ons in een klein konvooi tegemoet. Dik, vijandig. Met hun grote wielen en gewicht hebben ze niets te vrezen van de gaten en kuilen in de weg.

Drie dagen later. Aan de voet van de zandgroeve zitten voor acht bouwketen drie vrachtwagenchauffeurs met dik ontbloot bovenlijf in de zon. Als ze niet hoeven te werken, wonen ze hier. Hun vrouwen en kinderen spelen op een veldje verderop. Zelf drinken ze bier en weigeren ons te woord te staan.

Vijftig meter verderop scheidt een Britse machine het afgegraven zand van stenen en kiezels. Daarna wordt het door een heftruck in de vrachtwagens geladen. „Het werk gaat hier dag en nacht door”, zegt de bestuurder van de machine, een stoere Rus met een roestvrijstalen gebit. „Het zou slecht zijn als we het stil moesten leggen omdat we de weg vernielen. Wij leveren zand door het hele land, waar ze het maar nodig hebben.” Of Batoerina de eigenaar van de groeve is, kan of wil hij niet bevestigen. „Daarvoor moet u bij het stadsbestuur van Malojaroslavets zijn. Ik weet alleen dat de groeve hiernaast door een Armeniër is gekocht, maar die werkt op halve kracht.”

Op weg naar de nog functionerende bushalte komen we langs het postkantoortje, een houten loods waar vroeger ook het dorpsbestuur huisde. Er is ook een bibliotheekje gevestigd, met vormende arbeiders- en boerenromans uit de tijd van de Sovjet-Unie. In het voorportaal hangen voorlichtingsaffiches van de overheid: hoe zorg je dat je je pensioen krijgt, wat te doen als je dringend medische hulp nodig hebt.

Een gele taxi passeert. „Ik heb het drukker dan ooit”, zegt hij, terwijl hij in zijn baard krabt. „Allemaal dankzij de weg. Het is me wat.”

Op het postkantoor kun je telefoonkaarten kopen, voor de cellen die tijdens Poetins presidentschap in elk Russisch dorp zijn neergezet, maar door niemand worden gebruikt. „Ik verkoop per maand hooguit twee van die kaarten”, zegt beheerder Ljoebov Georgina, tussen haar kranten, T-shirts, zakjes chips en pakken waspoeder, waarin ze naast haar postzegels en enveloppen handelt. „Je kunt er alleen mee bellen binnen het rayon, dus echt veel heb je er niet aan.”

„De weg was uitstekend”, vertelt Ljoebov. „Maar in een jaar tijd is hij geheel verwoest. Allemaal sinds een hoge pief uit Moskou hier vier zandgroeves heeft ge-opend.” Wie die hoge pief is, mogen we raden.

Samen met de meeste dorpsbewoners wilde Ljoebov een maand geleden de weg blokkeren en de vrachtwagens tegenhouden. De weg was toen door zware regenval in een modderpoel veranderd en onbegaanbaar geworden. „Maar van die blokkade hebben we afgezien, toen we te horen kregen dat dat verboden was. Uit wanhoop hebben we daarna een brief aan de gouverneur geschreven.”

Als geen ander kan Ljoebov over de geschiedenis van Ignatjevskoje vertellen. „Dit dorp is aan het sterven”, zegt ze. „Het begon tijdens de perestrojka. Tot die tijd hadden we hier een bloeiende dorpsgemeenschap van zeker driehonderd inwoners. Kijk alleen al naar ons mooie Huis van Cultuur, gebouwd in 1956. Er werden film-, toneel- en dansvoorstellingen gehouden. Maar nu is het uitgebrand. We hadden hier fabrieken, molens, ovens, winkels. Tijdens de perestrojka hebben onze bestuurders alles verkocht. Daarna was er geen werk meer en is bijna iedereen weggetrokken naar de stad. En zoals het bij ons is gegaan, is het in heel Rusland. Alle dorpen sterven.”

Als ze het over de lokale collectieve boerderij, de kolchoz, heeft, valt opnieuw de naam Batoerina. „Onze kolchoz is ook door haar gekocht. Het dorpsbestuur is nu de documenten voor haar aan het regelen. Ze is alleen uit op de grond om daar huizen te kunnen bouwen. De dorpsboerderij heeft ze al eerder opgekocht en vernield.”

Over de weg hobbelen we verder, de hopen kiezelstenen ontwijkend die her en der naast de berm zijn gestort om, als het nodig is, de diepste gaten mee op te vullen. In de verte komt de bus aanrijden, precies op tijd. Het gedeukte en verroeste koekblik, met plaats voor twintig passagiers, zigzagt om de kuilen heen, helt vervaarlijk over, hobbelt als een dronken rups. Bij de halte van Panskoje houdt hij stil. „Er zijn nog twee andere haltes, maar die zijn onbereikbaar”, zegt buschauffeur Sasja Sovstjok vanachter zijn stuur. „En op de eerste vijfhonderd meter van de weg, tot aan Panskoje, houd ik mijn bus amper overeind. Ik vervoer dagelijks meer dan tweehonderd passagiers, voor het merendeel bejaarden. En die moeten de laatste kilometers naar hun dorpen lopen. Het is toch te gek voor woorden?”

Ook de komende en gaande passagiers zijn verontwaardigd. „Ik schaam me voor mijn land”, zegt een dronken man met een gouden bovengebit. Zijn vrouw probeert hem te kalmeren. „Kom nou maar zitten, Ljosja”, zegt ze. „Houd je koest.” Dan keert de bus om en rijdt terug naar Malojaroslavets.

‘Waarom komt u kijken?’

Ignatjevskoje wordt bestuurd vanuit naburig Sjoemjatino, een lintdorp van zo’n twintig huizen langs de hoofdweg. In een loods, naast een dubbele poepdoos, huist het gemeentebestuur, dat geleid wordt door Valentina Kovalenko. „Waarom komt u naar dat dorp kijken?” vraagt ze wantrouwend. Als ik haar vertel over mijn belangstelling voor de weg, wuift ze de problemen weg. „Moet u luisteren. Ik ben patriot en zie niet in waarom Nederland over onze problemen geïnformeerd zou moeten worden.” Maar dan trekt ze bij. „Weet u”, zegt ze, lachend nu. „Wij zijn niet verantwoordelijk voor de weg. Die valt namelijk onder het provinciebestuur. En natuurlijk zou de politie die vrachtwagens moeten tegenhouden, want het is verboden met zware auto’s over die weg te rijden.”

Over de zandgroeve kan ze ons evenmin iets vertellen. „Wij hebben de licentie voor de zandgroeve niet uitgegeven. Daarvoor moet u bij het plaatsvervangend bestuurshoofd van Malojaroslavets zijn. Hij weet er alles van en is ook belast met het dossier van het herstel van de weg.”

Vijf kilometer verderop, in de Leninstraat 1 van Malojaroslavets, zetelt het plaatsvervangend hoofd van dat stadje, Anatoli Nikolajevitsj Troesov. Zijn smoezelige kantoor doet denken aan de nadagen van de Sovjet-Unie. Over zijn bureau ligt een chaos van documenten uitgespreid. Erbovenop prijkt een agenda, volgeschreven met namen en afspraken, waar hij onafgebroken naar staart.

„Wat wilt u van me”, zegt hij vijandig, waarna hij lang zwijgt. Als ik hem vraag aan wie de licentie voor de zandgroeve is uitgegeven en of dat misschien aan Batoerina is gedaan, antwoordt hij: „De zandgroeve is eigendom van de provincie Kaloega. Van Batoerina weet ik niets. Het ministerie van Natuurlijke Grondstoffen is de enige die uitsluitsel kan geven.”

Ook van de 70 miljoen roebel die de uitbater van de zandgroeve aan het gemeentebestuur zou hebben betaald om de weg te repareren, is Troesov niet op de hoogte. „Als gemeente kunnen wij niets aan de weg doen”, zegt hij. „Tot aan de brug valt hij namelijk onder de provincie Kaloega en voorbij de brug onder de federale staat.”

Dan krijgt hij een telefoontje: een oorlogsveteraan vraagt of de gemeente het hek van haar huis kan komen schilderen. „Ik kan u niet helpen”, herhaalt Troesov enkele keren. „U moet het door de eigenaar van uw huis laten doen.” En tegen ons: „Als we haar geld geven om dat hek te laten schilderen, dan zeggen anderen weer dat het corruptie is.”

Hierna komt Troesov ineens met goed nieuws: een dezer dagen worden borden langs de weg naar Ignatjevskoje gezet die de doorgang voor auto’s zwaarder dan drie ton verbieden. Hij toont de stapel verordeningen over de weg, die hij de afgelopen maanden uit provinciehoofdstad Kaloega heeft ontvangen. „Als je al die documenten ziet, zou je toch denken dat iemand iets gaat ondernemen om de situatie op te lossen”, zegt hij. „Maar het probleem bij ons is dat niemand iets doet.”

Een telefoontje naar het ministerie in Kaloega levert een onbevredigend antwoord op: de licentie blijkt uitgegeven aan het Federale Agentschap van de Wegenbouw, een overheidsorganisatie dus. De overheid als overtreder van zijn eigen wetten?

We rijden terug naar Ignatjevskoje voor een laatste poging de naam van de werkelijke pachter van de zandgroeve te achterhalen. In het winkeltje vertel ik Galina Ivanova over de verbodsborden die eraan komen. Ze moet lachen. „Dat beloofden ze vorige maand ook al”, zegt ze.

Schuin tegenover de winkel staat een oud houten huis. In het tuintje geeft een vrouw haar bloemetjes water. Haar man, Valeri Znatnov, maait met ontbloot bovenlijf het gras. Hij is afgevaardigde in het lokale parlement van Malojaroslavets. Ook hij is boos over het vernielen van de weg. „Ze gaan de weg helemaal niet herstellen”, zegt hij. „Daar heeft Malojaroslavets helemaal geen geld voor. En dan is er ook nog de overeenkomst die met de pachters van de zandgroeve is gesloten. We weten niet wat daar in staat. Wel weet ik dat slechts een deel van de groeve in handen is van het Federale Agentschap van Wegenbouw, een ander deel is illegaal doorverkocht.” Zijn vrouw vult aan: „Aan Jelena Batoerina. Dus kijk maar uit.”

Voor het laatst hobbelen we over de weg het dorp uit. De veiligheidsriemen strak aangesnoerd om te voorkomen dat we ons hoofd tegen het dak van de auto stoten. De vijfhonderd meter voorbij de melkfabriek zijn opnieuw een kwelling.

Een oranje Lada is zijn tocht met panne bij een hoop kiezelstenen geëindigd, met het beloofde land in zicht. Want zo’n twintig meter verderop is de weg weer geasfalteerd, precies waar de voorbeeldig onderhouden oprit begint naar het terrein van een luxe staatsvakantieoord voor politieagenten.

    • Michel Krielaars