Werkelijkheid schrijven

Annemieke Gerrist (1980) schrijft gedichten die dunne laagjes van de werkelijkheid afkrabben, net zolang tot je niet meer weet wat echt is, wat is gedroomd, en wat misschien alleen mogelijk is in het gedicht zelf. In haar bundel Waar is een huis (2008) laat Gerrist een man in slaap vallen nadat hij een vrouw heeft gezien. Hij droomt dat hij in een boom klimt en dat de vrouw zich uitkleedt. Ook ziet hij een kat. ‘Waar komt die vrouw vandaan, met die kat?’ vraagt hij hardop. ‘Die vrouw in dat huis?’ De vrouw vraagt: ‘Welke vrouw?’ Hij antwoordt dat de vrouw een kat heeft, dat de wasmachine draait. Tenslotte komt de vrouw de slaapkamer binnen, gaat op bed liggen en roept haar man. In de tuin zit de man in een boom en wacht tot hij nog eens geroepen wordt. Zolang niemand hem roept, staat hij tussen droom en werkelijkheid.

Ik beweer dat Gerrist laagjes van de werkelijkheid afkrabt. Deze zin staat als een boekenkast zonder schroeven. Hoe langer ik mijn beginzin laat staan, hoe verder de kast voorover begint te hellen. De werkelijkheid voorstellen als vernis schept natuurlijk geen duidelijkheid. Maar wat me vooral dwarszit aan mijn typering is dat ik niet weet of Gerrist lagen afpelt of juist over elkaar heen legt. Misschien is het wel beter om te zeggen dat ze beelden stapelt als dia’s, waarbij voorstellingen door elkaar gaan lopen.

Maakt deze dichter iets zichtbaar of verbergt ze iets? Het zit me dwars dat ik niet weet wat Gerrist precies doet. Ze maakt me zó nieuwsgierig dat ik haar gedichten blijf lezen. En in mijn achterhoofd houd ik er rekening mee dat ik zelf lagen afpel en aanbreng. Dat ik mogelijk geen inzicht krijg in de mechaniek van deze poëzie omdat ik de verkeerde vragen stel, het verkeerde gereedschap gebruik.

Wanneer ik bij Galerie Fons Welters werk zie van Berend Strik begint me iets duidelijk te worden. Strik borduurt op foto’s, bedekt delen ervan met dunne lagen textiel en versterkt andere fotodelen juist door met kleine steekjes een fijne schittering aan te brengen. Steeds wanneer ik denk dat ik weet wat ik heb gezien, valt mijn blik op een vlakte van stof, of juist in de diepte van een detail op de foto.

Strik speelt met maten en gradaties van werkelijkheid: textiel, als uit een rok gesneden, bovenop de registratie van een moment die de foto is, aan elkaar verbonden door een naald die met een draad dwars door alle lagen stak. Het is niet te reproduceren, blijkt wanneer ik er nog eens naar wil kijken op internet. Draad, textiel en fotografie vormen contrasten die op een reproductie niet meer zijn waar te nemen.

De hoofddoek op Scarves, conversation piece (2009) herinnert me eraan dat versluiering juist iets zichtbaar maakt. De doek wekt niet alleen een verlangen op naar wat het bedekt, Strik voegt er nog een aantal wervelende lagen aan toe, waardoor de hoofddoek een vrolijke paarse gedachtewolk wordt, maar ook gaat wapperen in de wind.

Nu zie ik dat de gedichten van Gerrist net als de beelden van Strik zowel verdoezelen als onthullen. Beiden verkleden de werkelijkheid, die des te harder roept: ik ben het!

Ik kan ‘werkelijkheid’ schrijven. Ik kan van mijn onvolkomenheid een kast maken en van mijn gebrek aan inzicht verkeerd gereedschap. Ik verberg me achter begrippen en metaforen, maar vrees dat ze juist laten zien wie ik ben.