Waslijn vol lijkwades

Het Mexicaanse paviljoen op de Biënnale van Venetië is gevuld met kunst gemaakt van mensenbloed. Kunstenaar Teresa Margolles wil zo aandacht vragen voor de duizenden slachtoffers van de drugsoorlog.

Teresa Margolles, ‘Cleaning’, 2009 Foto Teresa Margolles Kunstenaar teresa margolles herdenkt slachtoffers mexicaanse drugsoorlog . Het Mexicaanse paviljoen op de Biënnale van Venetië is gevuld met kunst gemaakt van mensenbloed. Kunstenaar Teresa Margolles wil zo aandacht vragen voor de duizenden slachtoffers van de drugsoorlog in Mexico. Een man is driftig met een mop in de weer, maar echt schoner lijkt de vloer er niet op te worden. Het dweilwater in zijn rode emmer ziet er bruinig uit. En het is net of je met iedere pas je gympen moet lostrekken van het parket. Dan valt je oog op een tekstbord aan de muur, en begrijp je waarom de sfeer in dit paleis zo akelig beklemmend is. Opeens vallen ook de sombere gezichten van de andere bezoekers op, en proef je de beladen stilte die in de ruimtes hangt. De dweilende man, zo lees je, maakt deel uit van de performance Cleaning (2009) van de Mexicaanse kunstenaar Teresa Margolles. Als schoonmaakmiddel gebruikt hij water gemengd met bloed van mensen die het afgelopen jaar zijn omgekomen in de Mexicaanse drugsoorlog. De man is, net als de andere schoonmakers die aan het project deelnemen, bovendien een familielid van een van de slachtoffers. Margolles, Teresa

Warm en benauwd is het in het Palazzo Rota Ivancich in Venetië, een van de vele zestiende-eeuwse paleizen waar deze zomer in het kader van de Biënnale hedendaagse kunst te zien is. De atmosfeer valt als een kleffe deken over je heen en doet je naar adem happen. De kunst laat zich in dit paleis, ingehuurd om te dienen als Mexicaans landenpaviljoen, niet direct herkennen. Een man is driftig met een mop in de weer, maar echt schoner lijkt de vloer er niet op te worden. Het dweilwater in zijn rode emmer ziet er bruinig uit. En het is net of je met iedere pas je gympen moet lostrekken van het parket.

Dan valt je oog op een tekstbord aan de muur, en begrijp je waarom de sfeer in dit paleis zo akelig beklemmend is. Opeens vallen ook de sombere gezichten van de andere bezoekers op, en proef je de beladen stilte die in de ruimtes hangt. De dweilende man, zo lees je, maakt deel uit van de performance Cleaning (2009) van de Mexicaanse kunstenaar Teresa Margolles. Als schoonmaakmiddel gebruikt hij water gemengd met bloed van mensen die het afgelopen jaar zijn omgekomen in de Mexicaanse drugsoorlog. De man is, net als de andere schoonmakers die aan het project deelnemen, bovendien een familielid van een van de slachtoffers. Gedurende de Biënnale van Venetië zullen de tentoonstellingszalen iedere dag minstens één keer door één van hen ‘gewassen’ worden.

Zou een mens het bloed van een gemartelde soortgenoot onbewust kunnen ruiken, zoals ook een koe onraad ruikt zodra hij voet zet in het slachthuis, ook al is dat nog zo schoon geboend? Instinctief wil je de ruimte het liefst zo snel mogelijk weer verlaten. Naar buiten, de frisse lucht in, en als het even kan een lange douche nemen.

Teresa Margolles (Culiacán, 1963) werkte jarenlang als forensisch medewerker in een Mexicaans mortuarium en maakte al eerder kunstwerken van menselijk materiaal. Zo waste ze vorig jaar op de Manifesta in Bolzano een kale fabrieksruimte met water waarmee ook lijken gewassen waren. En eerder dit jaar liet ze op de tegelvloer van de Kunsthalle in Hamburg druppels menselijk vet neerdalen, die ook afkomstig waren van Mexicaanse moordslachtoffers. Maar geen van die projecten maakten zo’n diepe indruk als het werk in Venetië nu doet. Misschien is het de haast lijfelijke confrontatie met het bloed die je naar adem doet happen. En wellicht is het de aanwezigheid van de nabestaanden die je een brok in de keel geeft.

De noodzaak om een dergelijk schokkend kunstproject uit te voeren was groot, schrijft Margolles in de begeleidende catalogus. In 2008 vonden meer dan zesduizend mensen de dood in de drugsoorlog die is opgelaaid in het Amerikaans-Mexicaanse grensgebied. Onder hen ook 650 kinderen die per ongeluk in een vuurgevecht waren terechtgekomen. Dit jaar staat de teller al op drieduizend slachtoffers. De qué otra cosa podríamos hablar? is daarom de titel van Margolles’ project. Waar zouden we het anders over moeten hebben?

Een andere tentoonstelling dan deze was simpelweg niet mogelijk geweest, stelt Margolles. „De enige manier om dit verhaal te vertellen is door het Mexicaanse paviljoen te wassen met de overblijfselen van de doden. Als mensen hier binnenkomen en niets tentoongesteld zien, dan komt dat omdat er niets meer te zeggen is dan dit. Er zullen geen feestjes gevierd worden in het Mexicaanse paviljoen. Hier dient het stil te zijn.”

Hoe ver moet je gaan om als

beeldend kunstenaar je boodschap over te laten komen bij de kijker? Is het een geoorloofde tactiek om bezoekers fysiek onpasselijk weer naar buiten te sturen? En hoe ver mág je eigenlijk gaan? Mag je het verloren bloed van naamloze slachtoffers zomaar gebruiken om kunst mee te maken?

Het is opvallend hoe weinig ophef er in Venetië is ontstaan over Margolles’ tentoonstelling. Geen criticus die zich erover opwindt. Geen dagblad of tijdschrift dat er aandacht aan besteedt. Geen Mexicaanse politicus of Italiaanse douanier die aan de bel heeft getrokken. Blijkbaar wordt het normaal gevonden dat er wordt geschilderd met menselijke resten.

Nu kent bloed als kunstenaarsmateriaal al een flinke traditie. In de jaren zestig waren het de Wiener Aktionisten die tijdens hun uitzinnige performances rijkelijk bloed lieten vloeien om zich af te zetten tegen de bekrompen Oostenrijkse moraal. Maar dat bloed was het bijproduct van zelfverminking of afkomstig van ritueel geslachte dieren. De Amerikaan Ed Ruscha maakte in de jaren zeventig een reeks tekeningen (Stains) met bloedvlekken. En de Britse kunstenaar Marc Quinn maakte zichzelf in 1991 onsterfelijk met Self, een zelfportret gemaakt van vijf liter bevroren bloed. Bloed dat hij gedurende een periode van vijf maanden bij zichzelf had afgetapt.

Margolles verzamelt het voor haar kunstwerken benodigde bloed op de plekken waar executies hebben plaatsgevonden – locaties die ze afleidt uit krantenberichten. Nadat de politie de lijken heeft weggehaald en de forensische experts het plaats delict hebben afgespeurd op aanwijzingen, blijken er nog genoeg materialen over te blijven. Zoals glassplinters van kapotgeschoten autoruiten, waarmee Margolles juwelen maakt. Of kledingstukken, die ze als readymades tentoonstelt.

Door natte lakens over de besmeurde stoeptegels en zandwegen te leggen, worden aarde, vuil en bloed geabsorbeerd. Vervolgens worden de doeken te drogen gelegd, waarna ze vervoerd kunnen worden. Op die manier smokkelde Margolles aardig wat liters bloed van Mexico naar Venetië.

„Ik vroeg me af wie de boel eigenlijk schoonmaakt als er iemand op straat vermoord wordt”, verklaart Margolles haar werkwijze in de catalogus. „Zo kwam ik op het idee voor dit werk. Als het om één persoon gaat, is het misschien een familielid of een buurtbewoner die zich erom bekommert. Maar in Mexico gaat het om duizenden mensen, wie ruimt al die resten op? En waar gaat al dat vervuilde water heen? Dat stroomt de riolen in, zodat de stad steeds meer verzadigd raakt van bloed.”

Van wie het bloed precies afkomstig is, drugsbaron of onschuldige getuige, interesseert haar niet. „Het kan me niet schelen of we dweilen met ‘the good guys’ of ‘the bad guys’. Ik doe alleen verslag van de feiten: duizenden doden, onder wie honderden kinderen, sterven jaarlijks in deze drugsgerelateerde vuurgevechten.”

In het Mexicaanse paviljoen

in Venetië wordt het bloed ter plekke aan de lakens onttrokken. Wie het paleis wil verlaten, moet verplicht een route volgen die via een lange gang op de begane grond leidt. Transparante repen plastic scheiden deze ruimte van de uitgang, waardoor de associatie met een abattoir zich opnieuw opdringt. De bemodderde doeken hangen hier als abstracte kunstwerken zij aan zij – een waslijn vol lijkwades. Via een ingenieus systeem wordt waterdamp tegen de achterzijde van de doeken gesproeid, waarna het water samen met het bloed in een opvangsysteem druppelt en kan worden hergebruikt.

Een rondgang door het paviljoen leert dat Margolles het bloedmengsel niet alleen voor haar dweilactie heeft gebruikt. Ook de dieprode vlag die fier aan de gevel van het paleis wappert en zo mooi kleurt bij de terracottatinten van de Venetiaanse huizen blijkt met Mexicaans bloed doordrenkt. Datzelfde geldt voor de wandtapijten die in een van de erezalen van het paleis hangen alsof ze daar altijd gehoord hebben, mooi omkaderd door een eeuwenoude decoratieve omlijsting. Zelfs het beton van de zitbankjes blijkt gegoten van vloeistoffen die onttrokken zijn aan executieplaatsen.

Maar er is meer dan alleen bloed dat achterblijft op de plaatsen delict. Er zijn ook de waarschuwende woorden die door de drugsbendes op briefjes bij de lijken zijn achtergelaten, en die nog maandenlang rondzingen in de hoofden van de nabestaanden. Zinsnedes als ‘kijk, hoor en zwijg’, ‘zo komen de ratten aan hun einde’ of ‘totdat al je kinderen vallen’, die Margolles tijdens de duur van de biënnale in gouddraad op de bebloede wandtapijten laat borduren (Narcomessages, 2009).

Ook transporteerde Margolles de omgevingsgeluiden van de moordplekken naar Venetië (Sounds of Death, 2009). In het paleis, waar het geroezemoes van de vele toeristen en het klotsen van het water door de open ramen binnendringen, zijn de geluidsopnames nauwelijks hoorbaar. Maar misschien dat ze onbewust toch bijdragen aan de beladen sfeer van de tentoonstelling. Zoals ook de sieraden van glassplinters die Margolles in een kluis in de muren van het paleis liet inmetselen, niet meer zichtbaar maar wel degelijk aanwezig zijn.

Het gebeurt niet vaak dat een tentoonstelling zo’n fysieke impact heeft. De qué otra cosa podríamos hablar? is een expositie die diep in je poriën kruipt. Ja, denk je wanneer je weer buiten in het stralende zonlicht staat, misschien is het wel nodig om als kunstenaar zo ver te gaan. En misschien is het gebruik van anoniem mensenbloed wel geoorloofd, als er zo respectvol mee om wordt gesprongen, en de toeschouwer er uiteindelijk zo door geraakt wordt. Blijkbaar heiligt het doel de middelen.

Maar dan, een paar dagen later,

volgt toch nog de kater. Op Art Basel, de belangrijkste hedendaagse kunstbeurs ter wereld, blijkt Teresa Margolles ook met werk vertegenwoordigd te zijn. Een van haar bloedrode doeken hangt in de stand van de Zwitserse galerie Peter Kilchmann, ditmaal netjes opgespannen op een spieraam van 1,5 bij 1,5 meter. De politieke connotatie van het kunstwerk is in deze context naar de achtergrond verdwenen. Wat overblijft is een morbide variant op een minimalistisch schilderij. Het bijschrift meldt dat het werk ‘Los Herederos’ (de erfgenamen) heet en dat het is gemaakt van ‘verschillende materialen en vloeistoffen op linnen’. Ter geruststelling van de kunstliefhebber met smetvrees staat er ook nog bij dat het werk ‘gedesinfecteerd’ is. Het is te koop voor twintigduizend euro.

Opeens proef je een wrange bijsmaak. Weg is het gevoel van integriteit. Want het verloren bloed van naamloze slachtoffers tentoonstellen in de context van een biënnale, waar ook veel andere kunstwerken politieke boodschappen verkondigen, is één ding. Het vervolgens verkopen op een kunstbeurs, waar het draait om winst in plaats van engagement, lijkt een misplaatste zet. Op een kunstbeurs is geen ruimte voor reflectie. De stilte die in het Mexicaanse paviljoen volgens Margolles zo onontbeerlijk was voor de perceptie van haar kunst, is in Bazel ver te zoeken.

Mag je als kunstenaar geld verdienen aan vermoorde, al dan niet onschuldige landgenoten? Hadden we het daar, om met de woorden van Teresa Margolles te spreken, niet over moeten hebben?

Teresa Margolles: De qué otra cosa podríamos hablar? T/m 22 nov in het Mexicaanse paviljoen, Palazzo Rota Ivancich, Castello 4421, Cap. 30132, Venetië. Di t/m zo 10-18u.

    • Sandra Smallenburg