Vergeef mij !

Onbarmhartig zijn de ‘zelfportretten’ van J.M. Coetzee. Zijn nieuwe roman ‘Zomertijd’ is een afrekening van een land met zijn auteur.

J.M. Coetzee, in 2004 in Rome. Foto AFP/Tiziana Fabi South-African writer John M.Coetzee, 2003 Nobel Prize for literature, poses for photographers in Rome, 22 June 2004 during a literature festival. AFP PHOTO/ Tiziana FABI AFP

J.M. Coetzee: Zomertijd. Uit het Engels vertaald door Peter Bergsma. Cossee, 300 blz. € 22,90

Schaamte leeft voort in elke volwassen man’, schreef J.M. Coetzee ooit in een essay over bekentenisliteratuur. Het zou schaamte zijn die gekoppeld is aan zelfverwijt. In het essay geeft hij ter illustratie hiervan een voorbeeld uit Augustinus’ Bekentenissen. Daarin stelen twee jongens perziken, niet om ze op te eten, maar puur om te voelen wat schaamte is.

‘Augustinus wil weten’, schrijft Coetzee dan, ‘waar schaamte begint en waar die uit voorkomt. Je kunt de draad eeuwig terug volgen en het zelfonderzoek dat nodig is om te kunnen begrijpen waar schaamte uit voortkomt, gaat altijd door. Maar nooit zal de ziel rust vinden, totdat de motivatie van de schaamtevolle daad is geconfronteerd’.

De relatie tussen schaamte en vernedering: daar draait het om in het werk van Coetzee. Dat geldt zeker voor zijn ‘autobiografische’ romans Jongensjaren (1997), Portret van een jongenman (2002) en nu Zomertijd, de nieuwe roman die aansluit op zijn twee voorgangers.

Over het exacte autobiografische karakter van de twee eerdere romans hebben velen geschreven en gespeculeerd; sommige gegevens verdonkeremaande Coetzee, op andere momenten leek hij weer pijnlijk eerlijk. Natuurlijk mag je van een auteur die filosofeert over biecht en absolutie aan de hand van Augustinus, Tolstoj, Rousseau en Dostojevski ook wel verwachten dat hij een literair spel speelt met wat zelfonderzoek in romanvorm zoal vermag.

In deze drie autobiografische romans gaat het om de herinneringen van een ‘hij’; een John die veel kenmerken van Coetzee vertoont. Met de keuze voor deze hij-vorm is een zekere afstand gewaarborgd: het zelfonderzoek is weliswaar niet minder echt, maar er is altijd ruimte voor een slag om de arm. Bovendien kan de schaamte over datgene wat ter tafel komt overtuigender worden overgebracht: Coetzee geeft openheid van zaken, maar op een omfloerste manier.

Neem de schoolscène uit Jongensjaren , de roman over zijn eenzaam opgroeien in het provinciestadje Worcester. De hoofdpersoon is de braafste en de beste van de klas, terwijl hij thuis de boel tiranniseert, uit angst voor slaag met het rietje. Niet omwille van de pijn, maar omwille van de schaamte, de schaamte om te moéten bukken ten overstaan van de gehele klas.

In de opvolger Portret van een jonge man, Coetzees Londense zoektocht naar de bronnen van zijn schrijverschap, is de onverbiddelijkheid die hij tegenover zichzelf tentoonspreidt, nog steeds aanwezig, maar de ironie is verdwenen, en de zelfspot is minder zichtbaar. De weinig aantrekkelijke student in dit boek wil groots en meeslepend leven, maar hij vindt alleen vrouwen om zich heen die weinig om hem geven. Behalve vrouwen en het werk bij IBM is er een uitgestrekte bibliotheek die de hoofdpersoon tot een kokette en pedante figuur maakt. Iemand die zijn schaamte verbergt achter een boekenwand van vermeende superioriteit.

Ondertussen blijkt ook dat de student het in Londen wel probeert, maar toch zijn geboorteland niet achter zich kan laten. Hij stelt zichzelf teleur wanneer zijn eerste proza-probeersel over Zuid-Afrika gaat. ‘Het verontrust hem te zien dat hij nog steeds over Zuid-Afrika schrijft. Hij zou zijn Zuid-Afrikaanse ik liever achter zich laten zoals hij Zuid-Afrika achter zich heeft gelaten. Zuid-Afrika was een slecht begin, een nadeel’.

In Zomertijd is de zelfspot weer terug, maar de onbarmhartigheid is gebleven. De autobiografie heeft nu de vorm aangenomen van een biografie, en wel van de inmiddels gestorven ‘Coetzee’. Ook het verlangen om het land waar hij vandaan kwam achter zich te laten, is er niet meer: de Coetzee uit Zomertijd is teruggekeerd naar Zuid-Afrika. Hij bouwt er een nieuw bestaan (ook letterlijk: een huis) en wat volgt is een verslag van wat hij al dan niet betekend heeft voor zijn omgeving.

Een jonge Engelse biograaf, die zijn protagonist nooit bij leven heeft gekend, wil aan de hand van gesprekken, notities en ongedateerde fragmenten een beeld schetsen van de auteur toen die met zijn vader in een buitenwijk in Kaapstad leefde, vlak voor en nadat hij doorbrak met Schemerlanden, Coetzees debuut uit 1974. De lezer volgt het relaas in wording.

Vijf gesprekken worden er gevoerd: drie met vrouwen die belangrijk waren voor Coetzee vlak na zijn terugkeer naar Zuid-Afrika in 1972 en twee met collegae van de universiteit. Het belang dat Coetzee deze mensen toekent, blijkt niet wederzijds te zijn en het portret dat de biograaf aan de hand van de gesprekken destilleert, is weinig verheffend. Coetzee is een slechte minnaar (die een erotisch hoogtepunt wil bereiken op muziek van Schubert), onaantrekkelijk, mislukt, cultureel conservatief, onhandig op het autistische af, ruggegraatloos. Een ‘slapgat’ zoals een lievelingsnichtje hem omschrijft. Een ‘niets’ zoals een Braziliaanse danseres hem typeert.

Deze getuigen versterken het beeld van Coetzee als een succesauteur op wie je geen greep krijgt: een ‘slapgat’ met een Nobelprijs – eerder aandoenlijk dan confronterend. De schijn van genadeloos fileren is er wel, maar Coetzee houdt zelf de touwtjes in handen. Door anderen dit karwei te laten opknappen, weet de lezer ook dat het zo’n vaart niet zal lopen. Zonder aarzeling legt hij zichzelf bloot, etaleert hij kritiek – en tegelijkertijd ontkom je niet aan de indruk dat het ook koket is om anderen zo over jezelf te laten vertellen.

Zijn Zuid-Afrikaanse auteurs wellicht koketter dan andere schrijvers? Je zou het na het lezen van Zomertijd wel denken. Niet dat ze het patent hebben op onflatteuze zelfportretten, maar Coetzee is niet de enige Zuid-Afrikaanse auteur bij wie een onbarmhartige blik op zichzelf gepaard gaat met een obsessie voor lichamelijkheid en schaamte, bij wie sociale onhandigheid wordt gekoppeld aan een onvermogen maatschappelijk en politiek te functioneren – lees er Breyten Breytenbach, Etienne van Heerden, Ivan Vladislavic maar op na. De blanke Zuid-Afrikaan neemt nu eenmaal een merkwaardige buitenstaanderspositie in, en lijkt zich daar van bewust. Ze staan buiten de geschiedenis van hun continent en bezien zichzelf van buiten, als waarnemers die verantwoording proberen af te leggen.

Maar Coetzee gaat in Zomertijd een stap verder dan alleen het schetsen van een onflatteus zelfportret. Hij ‘laat’ ook zijn werk beoordelen, komt als het ware tegenover zijn eigen oeuvre te staan, en vooral die confrontatie is boeiend. De ‘getuigen’ in Zomertijd kwalificeren zijn literaire werk als passieloos, afstandelijk en gemakkelijk. Aan onsympathieke personages zou hij verre de voorkeur geven, vooral omdat het moeilijker is om sympathieke personages neer te zetten. ‘Hij bezat geen speciale fijngevoeligheid voor zover ik kon ontdekken, geen oorspronkelijk inzicht in het menselijk lot. Hij was gewoon een man, een man van zijn tijd, getalenteerd, misschien zelfs begaafd, maar eerlijk gezegd geen reus. […] Nergens krijg je het gevoel van een schrijver die zijn medium vervormt om te zeggen wat nooit eerder is gedaan, wat voor mij het kenmerk is van grote literatuur. Te koel. te keurig, zou ik zeggen. Te gemakkelijk. Een te groot gebrek aan passie. Dat is alles’, zegt een vrouwelijke collega van de universiteit. Na In ongenade verloor ze bovendien haar belangstelling voor zijn werk.

In ongenade is natuurlijk het boek waarvoor Coetzee internationaal de meeste waardering kreeg. Maar het is ook de roman waarmee zijn afstand tot Zuid-Afrika een voldongen feit werd. In eigen land was de kritiek op deze roman groot; het boek zou te defaitistisch zijn, het zou een te pessimistisch beeld van zwarten schetsen en alleen de stem van de blanke verwoorden.

Meer dan een onbarmhartig zelfportret is Zomertijd daarom dit: een afrekening van een land met zijn auteur. Maar dan wel geschreven vanuit het perspectief van die auteur. Een man die zijn land kennelijk niet begreep, nooit begrepen heeft, misschien zelfs niet begrijpen kan en die zich ook niet begrepen voelt. In de woorden van zijn opgevoerde collega: ‘Hij zag Afrika door een roze bril. Hij beschouwde Afrikanen als belichaamd, op een manier die in Europa al lang verloren was gegaan. […] Zijn filosofie schreef Afrikanen de rol toe van bewakers van het waarachtiger, diepere, primitieve wezen van de mensheid. Daar hadden hij en ik behoorlijk forse discussies over. In de kern van de zaak, zei ik, was zijn standpunt ouderwets romantisch primitivisme. In de context van de jaren zeventig, van de vrijheidsstrijd en de apartheidsstaat, was het nutteloos om op zo’n manier naar de Afrikaan te kijken. En trouwens, het was een rol die ze niet langer bereid waren te vervullen.’ Een pijnlijke observatie van een man wiens lot en faam aan Zuid-Afrika verbonden zijn.

Hoe pijnlijk het onbegrip en de afrekening daadwerkelijk zijn, onthult het slot van de roman. In enkele ongedateerde fragmenten waar Zomertijd mee afsluit, geeft Coetzee zich bloot. Hier komt hij in de buurt van een ware bekentenis. Deze stukken vormen niet alleen het mooiste deel, maar doen in een passage ook denken aan de perziken van Augustinus. De gestolen vruchten zijn hier vervangen door een langspeelplaat met aria’s vertolkt door de Italiaanse sopraan Renata Tebaldi, de favoriete lp van Coetzees vader.

Uit weerzin tegen alles wat zijn vader mooi vindt, en dus ook de ‘decadente’ opera, neemt de jonge Coetzee de plaat uit de hoes en bewerkt die met het scheermes van zijn vader. ‘Over die gemene kleinzielige streek van hem heeft hij de afgelopen twintig jaar de meest bittere wroeging gevoeld, wroeging die in de loop van de tijd niet is gesleten, maar juist nog scherper is geworden.’

De zoon koopt jaren later, als volwassen man, een lp met enkele door Tebaldi gezongen aria’s en geeft die cadeau aan zijn vader. Maar de magie is verdwenen. De vader herkent de stem niet meer en zet de plaat nooit op. Vergeving wil de zoon, absolutie voor alle misselijke streken die hij ooit heeft uitgehaald om het leven van zijn vader te vergallen. Maar van vergeving waar de zoon naar hunkert, is geen sprake. Misschien speelt de vader wel een spel, zo beeldt hij zich in: wellicht denkt de vader ‘Hoe kom je erbij dat jij ooit bij machte zou zijn geweest om mijn leven te vergallen?’

Je zou deze passage kunnen zien als niet alleen symbolisch voor de relatie van de zoon tot zijn vader, maar ook van de schrijver tot zijn land. Het land heeft een stempel gedrukt op het werk van de schrijver, maar omgekeerd heeft die schrijver geen enkel stempel op het land kunnen achterlaten – nog geen kras in het landschap.

Misschien verklaart dit alle aandacht die besteed wordt aan de onbeduidendheid van het personage Coetzee. Hij is niet meer geweest dan een vertolker van zijn tijd. Iemand die voor ‘exposés over wreedheid’ kiest en liever ‘verachtelijke’ personages verzint dan goedhartige – gewoon, omdat een Zuid-Afrikaanse auteur dat nu eenmaal hoort te doen.

Is het toeval dat Coetzee met deze drie autobiografische romans begonnen is kort nadat in Zuid-Afrika de Waarheid- en Verzoeningscommissie aan het werk ging? Net zoals de geschiedenis van het land werd blootgelegd in kale, meedogenloze relazen, zo houdt Coetzee hier zichzelf tegen het licht in een poging zíjn waarheid te vertellen. Dat is zijn paradoxale doel: een gefictionaliseerde waarheid vertellen over jezelf, over de rol die je gespeeld hebt, met als enige reddingsboei de afstandelijke ‘hij-vorm’ en de zogenaamde openhartige stemmen van de personages.

Of de verantwoording die hij heeft afgelegd met Zomertijd voltooid is, laat Coetzee in het midden. Aan het slot van de roman, wanneer de vader na een operatie weer thuis wordt gebracht, komt de zoon voor de keuze te staan: volledige overgave aan zijn vader of deze hulpbehoevende man, die zich niet meer kan uitspreken door tumoren aan het strottenhoofd, in de steek laten. ‘Het is het een of het ander: een derde weg is er niet’.

De vergeving, die elke herinnering moet ontlasten, is uitgebleven, zal er ook niet komen – communicatie is immers weggevaagd door een tumor. Wat overblijft is de keuze tussen acceptatie van het verleden of de zoektocht naar een andere vorm van vergeving. En juist die zoektocht naar absolutie, in het besef dat die onmogelijk is, is de grote kracht van Zomertijd.

Lees eerdere artikelen over J.M. Coetzee op nrcboeken.nl