Vaak is hij te laks,soms te principieel

Maxime Verhagen noemde mensenrechten de rode draad in zijn beleid.

Maar het kabinet is slap tegenover Rusland en China en te star wat betreft Servië.

Illustratie Hajo Hajo

Ik denk dat velen verrast waren toen Maxime Verhagen na zijn benoeming als minister van Buitenlandse Zaken al snel duidelijk maakte dat voor hem de wereldwijde bescherming van de mensenrechten de rode draad in de buitenlandse politiek van dit kabinet zou zijn. Verrast omdat Verhagen in zijn vorige politieke levens niet bekendstond als een hartstochtelijk verdediger van de mensenrechten. Verrast ook omdat zijn voorgangers van het CDA in hun buitenlands beleid toch meestal uitblonken in het vakkundig balanceren tussen het nastreven van loffelijke idealen en het verdedigen van Nederlandse belangen buiten de landsgrenzen. Verhagen koos zonder mitsen en maren voor de idealen, en op zich verdient hij daarvoor lof.

Met die keuze staat hij in een lange traditie van vooral linkse buitenlandse politiek. De meest recente voorbeelden daarvan zijn Robin Cook, de inmiddels overleden minister van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet onder leiding van Tony Blair, en Joschka Fischer, aanvoerder van de Groenen in de twee linkse kabinetten van Gerhard Schröder. Cook kondigde in 1997 met veel aplomb een ethische Britse buitenlandse politiek aan waarin de mensenrechten centraal zouden staan. Fischer was twee jaar later voorzichtiger en verbond verbetering van de mensenrechten sterk met conflictpreventie en versterking van internationale instituties.

Beiden werden echter al snel geconfronteerd met het verwijt dat ze wel heel selectief waren bij het verdedigen van de mensenrechten. Cook kreeg het verwijt dat de regering-Blair weliswaar zeer kritisch was over landen als Indonesië en Pakistan maar diezelfde landen wel uitnodigde veel geld te spenderen op grote Britse wapenbeurzen. Ook Fischer kreeg het moeilijk toen Schröder de levering van tanks aan Turkije doordrukte op het moment dat Fischer de Turkse politiek ten opzichte van de Koerden zwaar bekritiseerde. Zowel Cook als Fischer werd in de media aangevallen op een veel te coulante houding ten aanzien van het Rusland van Poetin, dat in Tsjetsjenië de mensenrechten aan zijn laars lapte en daar internationaal mee weg kwam.

Het uiteindelijk oordeel over Cook en Fischer was overwegend positief: goed geprobeerd, maar wees eerlijk en geef toe dat je af en toe inconsequent moet zijn en dat soms andere belangen de overhand krijgen.

Maakt Verhagen kans op een dergelijk positief eindoordeel? Dat wordt eerlijk gezegd nog knap lastig. Daarvoor zijn de voorbeelden van selectieve verontwaardiging op dit moment helaas te talrijk. In navolging van Cook en Fischer wordt ook Nederland er nog vaak van beschuldigd betrokken te zijn – zij het als doorvoerhaven – bij wapenleveranties aan dubieuze regimes. En ook Verhagen blijkt de juiste toon nog niet gevonden te hebben als het gaat om Rusland. Ondanks flagrante schendingen van de mensenrechten op de Kaukasus blijft kritiek achterwege en lijkt Nederland Medvedev en Poetin met fluwelen handschoenen te benaderen. De slapheid van het kabinet valt niet los te zien van het regeringsstreven om met behulp van de Russische energiegigant Gazprom de ‘gasrotonde’ van West-Europa te worden. Dan komt harde kritiek niet echt handig uit.

Maar er zijn helaas meer voorbeelden van inconsequent gedrag. Mensenrechtenbeleid is niet alleen anderen aanspreken, maar ook zelf offers brengen om geloofwaardig te blijven. Neem de herhuisvesting van Guantánamo-gevangenen. Als de ook door Nederland geëiste sluiting van Guantánamo Bay alleen maar zal lukken als ook andere landen ex-gevangenen opnemen, is Nederlandse afzijdigheid helaas een voorbeeld van mooi praten maar niks doen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat een dubbele moraal in zekere zin onvermijdelijk is. We hebben op China minder greep dan op kleinere landen, en hebben de Chinese medewerking harder nodig bij het aanpakken van problemen op wereldschaal als klimaatverandering en kredietcrisis. Maar die dubbelheid valt te compenseren, bijvoorbeeld door de kleintjes extra te belonen wanneer zij vooruitgang boeken op het vlak van de mensenrechten. Al is het maar om vooruitgang te consolideren.

In het geval van Servië weigert Verhagen, gesteund door de Tweede Kamer, daar echter aan mee te werken. Dat de pro-Europese democraten in Belgrado het vorig jaar bij de verkiezingen wonnen van de nationalisten, was ondanks en niet dankzij Den Haag. Terwijl de rest van de EU vóór en ook na de verkiezingen de democraten wilde belonen, stak Verhagen daar eigenhandig een stokje voor. Eerst moet de oorlogsmisdadiger Ratko Mladic worden uitgeleverd, pas dan kan er volgens Nederland gesproken worden over het belonen van de voorzichtige Servische stappen richting democratie en de EU.

Dat is een heel principiële opstelling die het in Den Haag goed doet, omdat die twee ‘goede’ doelen voor ogen heeft: het oppakken van een oorlogsmisdadiger en het versterken van het internationaal recht. Vergeten wordt, dat door zo strikt vast te houden aan die ene eis andere doelen van het Europese, ook door Nederland gesteunde, beleid op de Balkan verder weg komen te liggen: het voorkomen van nieuwe conflicten op de Balkan en het stabiliseren van een regio die hoe dan ook ooit onderdeel zal gaan uitmaken van de EU.

Wat Verhagen vergeet is dat mensenrechtenbeleid niet los valt te zien van conflictpreventie. Bij oplaaiende conflicten zijn de mensenrechten het eerste slachtoffer, ook en vooral op de Balkan. Het verzet binnen de EU tegen de Nederlandse ‘Alleingang’ maakt duidelijk dat men elders in Europa wel beseft dat belonen en stimuleren vaak effectiever zijn dan straffen en isoleren.

Het zijn allemaal voorbeelden van de haken en ogen aan een politiek die mensenrechten centraal stelt. Dat is zeker geen argument tegen een dergelijke politiek. Verhagen verdient steun voor zijn streven, maar ook kritiek op momenten dat zijn beleid laf, inconsequent of contraproductief is.

Joost Lagendijk was jarenlang lid van het Europees Parlement namens GroenLinks en is sinds 1 juli senior adviser bij het Istanbul Policy Center in Turkije.

    • Joost Lagendijk