Úit de tijd, of juist bíj de tijd

Hoe modern mag een moskee zijn? En hoe wenselijk is de traditionele bouw met koepels en minaretten? Een inventarisatie van visies.

De Rotterdamse Essalam-moskee, nog in aanbouw, in 2008 Foto Dirk-Jan Visser (Photo Dirk-Jan Visser: Rotterdam: 04-07-2008) Al maanden ligt de bouw van de nieuwe Essalam moskee stil, hier bij het Feyenoord stadion. Visser, Dirk-Jan

Ergün Erkoçu en Cihan Bugdaci: De Moskee. Politieke, architectonische en maatschappelijke transformaties. NAi Uitgevers, 192 blz. € 29,90

Eric Roose: The Architectural Representation of Islam. Muslim-Commissioned Mosque Design in The Netherlands. A’dam University Press, 416 blz. € 49,90

In welke stijl moeten we bouwen? Deze vraag, die de Duitse architect Heinrich Hübsch in het begin van de 19de eeuw stelde, is opnieuw actueel. In Nederland borrelt hij vooral op als er weer ergens een moskee wordt gebouwd.

Uiteraard zijn er verschillende antwoorden mogelijk. De Nederlandse fusion-architect Wilfried van Winden ontwierp bij voorbeeld de nu bijna voltooide Essalam-moskee, met koepel en minaretten, in Rotterdam. Maar: weg met ‘heimweemoskees’, antwoordt de architect Ergün Erkoçu. Een moskee hier moet ‘eigentijds’ zijn, vindt hij. Als alternatief voor de Essalam-moskee ontwierpen hij en andere jonge architecten een ‘poldermoskee’. Zonder minaretten en koepel, maar wel met een grasdak en windmolens. Tegenstanders noemen dit ‘eigentijdse’ ontwerp een ‘schuilmoskee’, omdat de poldermoskee eruit ziet als een hip kantoorgebouw.

Erkoçu is een van de samenstellers van het boek De Moskee. Politieke, architectonische en maatschappelijke transformaties. Het bevat ‘beeldessays’ over Nederlandse moskeeën van de fotografen Dick Barendsen en Christian van der Kooy en tien artikelen over moskeebouw. Hiervoor hebben de samenstellers een aantal klinkende namen uitgenodigd, maar dit blijkt geen garantie voor goede bijdragen. De vroegere VVD-leider Frits Bolkestein beperkt zich tot een reis door Iran die hij lang geleden maakte. Strekking van zijn bijdrage is dat ook in Iran heel mooie gebouwen staan. Ole Bouman, directeur van het Nederlands Architectuurinstituut, neemt geen standpunt in over moskeeënbouw in Nederland. Socioloog Willem Schinkel heeft, vermoedelijk onbedoeld, een parodie op een sociologische beschouwing geschreven. Met omhaal van grote woorden trapt hij de open deur in dat moskeeën in Nederland vaak in de buitenwijken staan omdat de stadscentra vol zijn. Theoloog Tariq Ramadan liet zich interviewen en houdt, zoals gebruikelijk, een betoog waarvan de strekking niet is na te vertellen.

De Moskee wordt gered door de bijdragen van Wilfried van Winden en Eric Roose. In ‘Vrijheid blijheid’ houdt Van Winden een pleidooi voor ‘pluralistische architectuur in een open samenleving’. Hij stelt vast dat de globalisering een verlangen oproept naar verschillen en eigen identiteiten. De Nederlandse koepelmoskeeën zijn niets anders dan gerechtvaardigde vervullingen van dit verlangen. Van Winden vergelijkt de huidige moskeeën met de honderden neogotische katholieke kerken die in de tweede helft van de 19de eeuw werden gebouwd en veel weerzin opriepen onder protestanten. Hij vindt dat moslims net zo goed recht hebben op hun traditionele gebedshuizen als katholieken op hun neogotische kolossen anderhalve eeuw geleden. ‘De Essalam-moskee geeft uiting aan de identiteit van het religieuze deel van de Marokkaanse gemeenschap in Rotterdam en is daarmee naast de Kuip een krachtige expressie van het streekeigene van Rotterdam-Zuid’, zo besluit hij zijn bijdrage.

Eric Roose laat in zijn bijdrage zien dat opdrachtgevers voor moskeeën zich in Nederland helemaal niet bezighouden met de vraag of architectuur van de gebedshuizen traditioneel of eigentijds moet zijn. Voor zijn bijna gelijktijdig met De Moskee verschenen proefschrift The Architectural Representation of Islam onderzocht Roose nauwgezet de totstandkoming van twaalf moskeeën in Nederland. Hieruit bleek dat opdrachtgevers niet kiezen voor een of andere traditioneel-islamitische bouwstijl uit verzet tegen de Nederlandse cultuur, maar om hun eigen geloofsopvattingen uit te drukken. Vooral willen ze zich onderscheiden van rivaliserende en in hun ogen ‘valse’ islamitische groeperingen. Zo wilde de Marokkaanse opdrachtgever van de Essalam-moskee per se geen traditioneel Marokkaanse versie, omdat hij zich wilde distantiëren van de ‘onzuivere’ Marokkaanse islam.

Roose veegt de vloer aan met de bewering van onder anderen de Rotterdamse ex-wethouder Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam dat de nieuwe, Nederlandse moskeeën met hun koepels en minaretten achterlijk zijn in vergelijking met die in het buitenland. Dit is onzin, schrijft Roose: ook in het buitenland wordt de grote meerderheid vaak gebouwd in traditionele stijl en zijn ‘moderne’ uitvoeringen op de vingers van één hand te tellen.

De obsessie van de critici van heimweemoskeeën met ‘moderne architectuur’ komt voort uit de beperktheid van de westerse architectuurgeschiedenis, zo laat Roose zien. Die staat nog steeds in het teken van een ‘bouwkundige vooruitgang’. Volgens deze opvatting is gebruik van pre-modernistische bouwstijlen in de 21ste eeuw dan ook achterlijk.

Maar volgens Roose doet de gebruikelijke geschiedschrijving geen recht aan de werkelijkheid. Wie de hele bouwproductie overziet, moet vaststellen dat er altijd vele bouwstijlen naast elkaar hebben bestaan. Zo bezien zijn niet traditionele moskeeën ouderwets en achterhaald, maar de discussie over de vraag ‘in welke stijl moeten we bouwen?’