Ten prooi aan thuis

Ad ten Bosch: In Florence. De Arbeiderspers, 206 blz. € 18,95.

Richard Hemker: Scherzo. Querido, 190 blz. € 18,95.

Ik ging naar Florence en nam In Florence mee, het nieuwe boek van Ad ten Bosch (1951). Ik stelde mij in op vermakelijke, zomerse taferelen, luchtig omspeeld door verwijzingen naar kunstschatten en andere bezienswaardigheden. Maar In Florence bleek taaie kost vol echtscheidingsperikelen, gedrenkt in oeverloos getob en zelfmedelijden. Hoofdpersoon Max Verwindt heeft zijn koffers gepakt nadat zijn gezin hem heeft verlaten. Hij voelt zich dubbel gepakt door ‘ex’: ze is er niet alleen vandoor met een ander, maar weigert ook nog eens mee te werken aan een soepele omgangsregeling. Zodoende trekt hij in alle opzichten aan het kortste eind. Wat hij heeft gedaan om zo resoluut aan de kant te worden gezet, blijft duister. Max piekert heel wat af over het leven in het algemeen, maar komt niet toe aan zoiets als zelfbeschouwing of enige zelfkritiek.

Wel heeft hij veel gevoel voor clichés en kitsch. Hij is ten prooi aan ‘vlammende wanhoop’ wegens het gemis van zijn kinderen en voelt dat zijn borst ‘langzaam openscheurt’. Hij zoekt troost bij een schilderij van Filippo Lippi waarop de Madonna is te zien met de aartsengel Gabriël die haar iets influistert. ‘Zou een eigentijdse Maria de vader van haar kind ook op afstand houden?’ vraagt hij zich gemelijk af. Maar vooral zoekt en vindt hij troost bij dames van vlees en bloed: bij zijn bejaarde hospita en bij jongere vrouwen, die hem leuk en interessant vinden, en van wie er een zich meteen tijdens de eerste liefdesnacht door hem laat bezwangeren. Er gloort dus nog hoop voor Max, maar lezers zijn de hele geschiedenis tegen die tijd vermoedelijk allang beu: te veel gejammer en gezeur in houterige en humorloze zinnen.

Snel over dan maar naar Scherzo, het debuut van Richard Hemker (1967), die een aantal van zijn verhalen situeerde in Italiaanse dorpen en steden. Ook hier worden de Toscaanse landschappen enigszins verduisterd door een broeierig Hollands wolkendek. En ook hier treffen we, in weerwil van de titel, geen vrolijke en levendige anekdotes aan, maar slepen de verhalen zich voort, van onaangename vakantieperikelen naar familietroebelen en van liefdesproblemen naar haperende jeugdvriendschappen. In een verhaal met een hoog ouwe-jongens-krentenbroodgehalte, maken we kennis met Nico, Justus, Daniël en Cars. Jongens die ‘een gedeeld lijden’ met zich meedragen ‘dat zich samenbalde tot een gedeelde woede die geconsumeerd werd met trappende bewegingen naar elke fietser die te dicht langs de lichtblauwe muur reed waar het viertal tegenaan placht te hangen’.

Zo gaat het ongeveer in alle verhalen: veel gehang, geklaag, rancune en verongelijktheid over de gang van zaken in het leven. Er is natuurlijk niets tegen ongeluk, wanhoop, mislukking of onmacht, zolang er maar levendig, geestig of aangrijpend over geschreven wordt. Hier en daar probeert Hemker er een reviaanse draai aan te geven, maar te gezocht, te omslachtig, te nadrukkelijk. Een van zijn eigen verhaalfiguren, met literaire aspiraties, lijkt zich dit ook pijnlijk bewust. Op de vraag van zijn vriendin hoe het zit met ‘het schrijven’, antwoordt hij dat het voorgoed van de baan is. ‘Gebrek aan een bindende visie. Van talent is bij nader inzien geen sprake.’ Hemker hield het dapper vol, acht verhalen lang, maar ook bij hem is van talent bij nader inzien helaas geen sprake. En van ‘een bindende visie’ al helemaal niet.