Superieur Sleutelen

De reparatie van motoren vereist minstens zoveel intelligentie als kenniswerk, schrijft een filosoof en monteur. Heeft hij gelijk?

Vrouw repareert de motor van een auto Foto Jupiterimages Young woman fixing her car. Jupiterimages

Matthew B. Crawford: Shop Class as Soulcraft.An Inquiry into the value of Work. Penguin Press, 246 blz. € 25,-

Als motorrijder schijn je niet langer zelf het oliepeil te kunnen controleren, met een peilstok en een oude lap. Wanneer het peil is gezakt, geeft het dashboard van de nieuwste modellen aan: ‘service required’.

Deze mededeling, zo schrijft Matthew B. Crawford half schuimbekkend in zijn boek Shop Class as Soul Craft, laat precies zien wat er mis is met de verhouding tussen de mens en zijn omgeving. Eerst kwam er al het lampje dat ging branden als het oliepeil gezakt was, het zogeheten ídiot light. Nu word je geacht naar de leverancier te rijden en om dienstverlening te vragen.

Mensen, waar gaat dat heen? Voortschrijdende abstrahering heeft de zelfredzaamheid en dus de vrijheid van mensen ingekapseld. Weg met die schil van ‘electronic bullshit’, dat ‘idiot system, verpakt in een ideologie van begeerlijkheid’!

De mens kiest zijn levenspad niet langer, dat doet zijn TomTom voor hem. Je hoeft in plaats van ‘electronic bullshit’ niet eens ‘management’ in te vullen om te begrijpen dat het flikkerende idiot light in dit boek niet alleen een indicatie is voor de staat van de motor, maar in één moeite door voor de staat van een natie en een cultuur. Met zijn boek – krukkig vertaald betekent de titel ‘Techniekonderwijs als zielskunde’ – verzet Crawford zich tegen de lage status en de kwijnende staat van handwerk – loodgieten, elektro- en autoreparatie, machineonderhoud. Het verdwijnen van dat soort werk betekent een groter verlies dan alleen tekorten op de arbeidsmarkt. Ontneem homo faber (de mens als maker) zijn schoffel, zijn hamer, zijn schroevedraaier, en hij wordt ongelukkig, tot afstomping en depressie gepampered in een steriele omgeving waar hij geen greep meer op heeft, maar ook geen avontuur meer in vindt.

Wat gebeurt er dan? Volgens Crawford zien we de gevolgen overal om ons heen. Dan leren kinderen niet meer om iets telkens opnieuw te proberen, dan verdwijnt de vreugde die een mens in oude, gebruikte spullen kan scheppen. Erger: jongetjes worden schoolverlaters of ADHD-patiëntjes, omdat in het veel te eenvormige schoolsysteem iets van ze gevraagd wordt waar ze niet toe in staat zijn: monotoon werk doen met hun hoofd, in plaats van denken via hun handen, uitvinden, leren via doen. De ‘duistere absurditeit’ van het kantoorbestaan komt tot ons in tv-series als The Office. Hoofdwerkers gaan zich in het weekend te buiten aan pottenbakken, tuinieren, ingewikkeld koken, sleutelen en klussen.

Motoronderhoud als metafoor – vijfendertig jaar na dato heeft Crawford een versie voor onze dagen willen schrijven van Zen and the art of motorcycle maintainance, An inquiry into values, van Robert M. Pirsig uit 1974. Crawford is hiervoor goed uitgerust: een politiek filosoof die gedurende zijn school- en studietijd bijkluste als auto- en motormonteur en eenmaal afgestudeerd bij een denktank werkte, waarna hij gefrustreerd ontslag nam en een werkplaats voor reparatie van oude motoren begon. Zijn boek heeft in de VS een snaar geraakt en veel aandacht gekregen.

De scheiding van hoofdarbeid en handarbeid, betoogt hij, – in navolging van Pirsig maar minder spiritueel en meer vanuit eigen ervaring –, ingezet met de kapitalistische deling van arbeid en de lopende band, heeft de productie verhoogd, maar de werkende mens kwaad gedaan. Een zinnig Leitmotiv, in een wereld waar uitvoerend werk – verpleging, onderwijs – pas sinds kort weer op waarde wordt geschat, en dat met loodgieters- en garagewerk nog steeds moet gebeuren.

De passages waarin Crawford schrijft over de kennis van de monteur, die een combinatie behelst van ervaring, ratio en intuïtie, zijn zijn mooiste. Hoofdwerk is niet per definitie creatief, handwerk niet per definitie eenvoudig, betoogt hij. Zelf besteedde hij een aantal maanden aan het samenvatten van wetenschappelijke artikelen, eentonige dataverwerking waarvoor geen creativiteit nodig was. De denktank waarvoor hij als politiek filosoof werkte werd beheerst door de olie-industrie. Een monteur daarentegen is als een chirurg; elk apparaat is anders. De uitdaging is een diagnose stellen, een remedie verzinnen en oplossingen uitproberen. ‘In de motorwerkplaats denk ik meer na dan ik bij de denktank deed,’ aldus Crawford.

Het gaat evenwel mis als hij zijn eigen ervaringen verabsoluteert en er een al even absolute morele dimensie aan koppelt. ‘Echte kennis komt van de confrontatie met echte dingen,’ schrijft hij. Kenniswerk komt neer op ‘dumbing down’ en ‘morele corruptie’, waarmee achteloos de ganse wetenschap en hele beroepsgroepen – psychische hulpverlening, onderwijs – wordt weggetrapt. Niet alle werk levert zulke concrete resultaten op als het repareren van een kapotte motor. Wanneer is een demente bejaarde precies goed verzorgd?

Over zijn stelling dat de meester-gezel verhoudingen op de werkplaats eerlijker en minder fraudegevoelig zijn dan teamwork op kantoren, zwijgen we maar helemaal. Pesten op de werkvloer gebeurt overal. Vuile handen worden in, bijvoorbeeld, de bouwwereld, niet alleen in letterlijke zin gemaakt – zie de hoeveelheid constructiefouten die TNO onlangs aantrof.

Matthew Crawford kan mooi schrijven, en zelfs wie onverschillig staat tegenover motoren – of er een hekel aan heeft – leest dit boek met plezier. Zijn kritiek op het onderwijs snijdt hout, mooi is zijn metafoor van afstandsbediening, remote control, voor het moderne onbehagen over de ondoorzichtige krachten die het leven besturen. Maar zijn kritiek is niet nieuw of origineel, eenvoudig de jongste aflevering in een traditie van marxisme enerzijds en conservatieve cultuurkritiek anderzijds. Wel is het opvallend hoe snel na twee decennia van oprukkende marktwerking boeken over werk elkaar opvolgen. In korte tijd is dit het derde boek dat een verband legt tussen maatschappelijke onvrede en arbeid waarin vergaande arbeidsdeling en winststreven de norm zijn.

Meer dan schatplichtig is Crawford bijvoorbeeld aan socioloog Richard Sennett, die in The Corrosion of Character (1998) beschreef hoe de flexmens klassieke deugden als geduld en vertrouwen moest afleggen, en vervolgens in The Craftsman (2008, besproken in Boeken 25.04.08) de maatschappelijke waarde liet zien van zaken die bij vakmanschap horen – geduld, ervaring, oefening, herhaling.

Crawfords conclusies staan daarentegen haaks op The pleasures and sorrows of work van Alain de Botton (Boeken, 16.01.09). De Bottons reportages in een koekjesfabriek en bij een carrièrecoach lieten juist zien dat mensen ook voldoening kunnen halen uit heel eentonig en abstract werk, of werk zonder concrete resultaten.

Belangrijker misschien nog is De Bottons constatering dat de romantische mythe dat werk een complete levensvervulling moet bieden, wreedheid in zich bergt, omdat dit nu eenmaal niet voor iedereen is weggelegd. Waarmee Crawfords boek, een viering van zijn succes, precies in de meritocratische hoek valt waaruit deze vrije motorjongen denkt te ontsnappen.

Aan andere valkuilen ontsnapt Crawford evenmin. Zijn verlangen naar authenticiteit, ‘echte kennis van echte dingen’, is zo oud als de industriële revolutie – de Chinese fabrieksmeisjes in Leslie Changs Factory Girls(13.02.09), bijvoorbeeld, waren dolblij om hun authentieke boeren beulsbestaan te verruilen voor het assembleren van plastic speelgoed aan de lopende band.

Het ophemelen van de kleine gemeenschap van klanten en gelijkgestemden, getuigt van Amerikaans cultuurconservatisme, van nostalgie in tijden van globalisering. Shop Class as Soul Craft is daarom in Amerikaanse bladen in verband gebracht met andere pleidooien voor kleinschaligheid, zoals dat van de alternatieve voedselbeweging die pleit voor lokaal verbouwd eten en zich verzet tegen de ‘remote control’ van de consument door de voedingsindustrie.

Toch lijkt het, nu door de kredietcrisis de toekomst van het kapitalisme ter discussie staat, niet terecht pleidooien voor de menselijke maat per definitie af te doen als nostalgie of conservatisme. Ze zijn doorgaans niet pre- maar postindustrieel, ontstaan als reactie op een samenleving die uitsluitend door marktprincipes als eenvormigheid, schaalvergroting en efficiency wordt beheerst. Misschien is, zoals voedselschrijver Michael Pollan heeft opgemerkt, juist de aanname dat vooruitgang samenvalt met schaalvergroting en technologie ouderwets geworden. Het is in elk geval niet onzinnig, te onderzoeken of de gunstige kenmerken van paradijselijke niches in de markt – Crawfords winkel, biologische voedselproductie, privéscholen – breder toepasbaar zijn.

Helaas heeft Matthew B. Crawford het uiteindelijk steeds minder over dit soort zaken, en steeds meer over het cliché van de easy rider, pardon diens zelfvertrouwen, creativiteit, morele superioriteit en algehele geestelijke voortreffelijkheid, die van hemzelf in het bijzonder: ‘people who ride motorcycles have gotten something right. ’

Het gaat Crawford uiteindelijk niet om maatschappelijke transformatie, maar om individuele ontsnappingen aan die maatschappij. En dan staat er toch veel minder op het spel.