Schaarse specialisten

Academische ziekenhuizen horen de beste ziekenhuizen te zijn. Hier worden immers artsen en specialisten opgeleid. Maar de universitaire medische centra hebben moeite hun specialisten in huis te houden. Omdat ze in gewone ziekenhuizen meer kunnen verdienen, dreigen veel specialisten er te vertrekken. De oorzaak is simpel. Academische ziekenhuizen betalen conform een cao een maximumsalaris. In gewone ziekenhuizen worden medici vaak gehonoreerd volgens een factureringsmodel waarin ‘diagnose behandeling combinaties’ (dbc) het honorarium bepalen.

De academische ziekenhuizen proberen deze discrepantie nu te ondervangen door hun specialisten extra te betalen: met bonussen, arbeidsmarkttoeslagen of ‘bindingspremies’. Bij minister Klink (Volksgezondheid, CDA) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben ze aangedrongen op structurelere maatregelen. De NZa heeft daarop vorige week een voorschot genomen met een bezuinigingsplan van 375 miljoen euro. Onderdeel is een generieke korting van 11 procent op de dbc-tarieven van vrij gevestigde specialisten. Volgens de NFU, belangenorganisatie van universitaire medische centra, is dat echter niet genoeg om een gelijk speelveld voor academische en gewone ziekenhuizen te creëren.

De academische ziekenhuizen hebben gelijk dat de arbeidsmarkt uit balans is. Maar die onevenwichtigheid is fundamenteler dan alleen salarisverschillen op grond van cao of dbc. Vanaf het moment dat een student de eerste stap richting medische wereld zet, is er al sprake van een ongelijk speelveld. Voor de studie geneeskunde geldt een zware numerus fixus. Een van de redenen daarvoor is dat een medicijnenstudent de overheid bijna twee keer zoveel kost als een bètastudent en tot vijf keer zoveel als een alfa of gamma. Dat mag zo zijn, door deze beperkte toelating tot de opleiding wordt hoe dan ook schaarste in stand gehouden. Menig geslaagde vwo-scholier ervaart dat deze maanden, als hij of zij is uitgeloot.

Na de primaire studie ligt de arbeidsmarkt nog steeds niet open. Het werkterrein van de medische (sub)specialisaties is niet vrij toegankelijk voor iedere gediplomeerde arts. De postdoc-opleiding wordt ook gereguleerd: niet door de overheid of zorgverzekeraars, maar door de specialisten binnen het gemeen overleg van een dertigtal verschillende beroepsverenigingen. Ook buitenlandse artsen worden daaraan onderworpen als ze in Nederland om registratie vragen. De bedrijfstak is zodoende georganiseerd als een ambachtsgilde en slechts ten dele aan arbeidsmarktcriteria onderworpen.

De beroepsverenigingen vinden deze drempels nodig om de zorg op peil te houden. Maar een gevolg is ook dat artsen hier meer verdienen dan in verwante EU-staten. Op een kwalitatieve doelstelling zelf valt niets af te dingen. Dat betekent echter niet dat de organisatie van de arbeidsmarkt op voorhand buiten schot moet blijven. De academische ziekenhuizen zouden het initiatief kunnen nemen voor een verbreding van vraag en aanbod in de medische wereld.