Revolutionaire kunst verworden tot lekkere koopwaar

Op de expositie Avant-gardes ‘20/’60 toont het dakloze Stedelijk Museum hoogtepunten uit de jaren twintig en zestig in het Van Gogh Museum.

Roy Lichtenstein: ‘As I opened fire’ (1964, acrylverf op doek, driemaal 173 x 142,5 cm.) Collectie Stedelijk Museum

Het Stedelijk Museum moet zich weer gaan verhouden tot de avant-garde, zei de nieuwe directeur Ann Goldstein tegen deze krant. Inderdaad was het museum daar vorige eeuw meesterlijk in. Het zette Amsterdam op de wereldkaart. Een aantal moderne meesterwerken uit de collectie van het Stedelijk Museum is nu te gast in het Van Gogh Museum, op de tentoonstelling Avant-gardes ’20/’60.

De term ‘avant-garde’ is van origine een Frans militair woord voor de voorhoede van speciale commando’s die het terrein verkennen en de koers uitzetten voordat de rest van het leger komt. Zo betitelde men in de vorige eeuw kunst die vooruit snelde, met beelden en ideeën die veel later pas door de rest van de wereld geaccepteerd zouden worden. Hoe die voorhoedes van de kunst eruitzagen, laat het Stedelijk zien in een soort medley met van elke grote meester één of twee hits, zoals twee Mondriaans, één De Chirico, twee Oldenburgs. Deze ‘best of’ beslaat twee zalen. Niet veel, maar prima behapbaar voor het toeristenpubliek dat met posters van De Zonnebloemen onder de arm door het museum slentert.

Het zijn inderdaad topstukken, vooral uit de jaren twintig. De Fransman Léger schilderde hoe robot- en mensfiguren versmelten in abstracte bollen: een toekomstvisioen waarin mens en techniek één worden. Net als vele kunstenaars in die tijd was Léger communist, en verbeeldde hij een kosmisch wetmatige schoonheid die de wereld zou verbeteren. De rasters van Mondriaan hebben dat messianistische, de abstracties van Malevich en El Lissitzky net zo. Kunst bereidde het volk voor op de schoonheid van de nieuwe wereld: stedelijk, dynamisch, industrieel. Kunst had een voorbeeldfunctie. Totdat de Russische constructivisten besloten dat schilderijen bourgeois luxeobjecten waren en ook andere kunstenaars zich bekeerden tot architectuur, pamfletten en andere kunst met een politieke functie. Uiteindelijk zouden kunst en leven versmelten in een harmonieuze wereld die zo mooi was, dat de kunst zelf overbodig zou worden.

Die tijd kwam niet en in de jaren zestig was kunst zijn politieke ambitie grotendeels kwijt. Bezoekers aan de jaren-zestigzaal in het Van Gogh Museum worden stralend verwelkomd door een hartvormige neonsculptuur van de Fransman Martial Raysse. Pop Art bezong de nieuwe welvaartsstaat. Met een goede neus voor de nieuwe tijd kocht het Stedelijk zeefdrukken van Warhol en een metersbrede comicstrip van Lichtenstein. Pop Art was baanbrekend omdat het artikelen uit de massacultuur tot kunst verhief, en kunst schiep die er nog verleidelijker uitzag dan reclame. Niet voor niets is deze kunst nog steeds populaire koopwaar op de kunstbeurzen.

Abstracte kunst bleef bestaan in de vorm van Colorfield Painting en Minimal Art. Alleen onderzocht deze kunst niet langer de wereld – die redde zich best – maar artistieke vraagstukken als: hoe verhoudt canvas zich tot de muur? Grote, kleurrijke, opvallende kunst was het gevolg. Het spettert en fonkelt – lang leve het bourgeois luxeobject! En waar de kunstenaars uit de jaren twintig zich door zo’n tentoonstelling zouden omdraaien in hun graf, zouden hun collega’s uit de jaren zestig lachend nog een fles wijn opentrekken.

De zaal met Pop Art ziet er het ‘lekkerst’ uit, terwijl de jaren twintig eigenlijk veel spannender waren. Europa was in chaos en kunstenaars trokken ten strijde, ze wilden een verschil maken. De ideale wereld kwam niet, maar de acceptatie van hun modernismen wel. Het visuele tijdperk is er een gevolg van, stalen-buis-meubels zijn nog steeds in trek, en toeristen en dagjesmensen kijken graag naar de gekste kunst. Daar hebben zowel de jaren twintig als zestig een aandeel in. Bij de avant-gardetentoonstelling staat een winkeltje met dada-puzzels en sixties-lampen. Het leger heeft de voorhoede ingehaald.

Het verlangen van nieuwe directeur Goldstein naar de hedendaagse avant-gardes, werpt de vraag op welke avant-gardes ze bedoelt. De sterren van de kunstbeurzen? De lievelingen van musea? De intellectuelen die artistieke vraagstukken aan Franse filosofen koppelen en zo binnen het kunstdiscours blijven? Dat zijn allemaal geaccepteerde groepen. Terwijl avant-garde betekent: vooruitlopen op wat misschien ooit gevestigd zal zijn. Avant-garde betekent de wereld verbeteren, revoluties ontketenen. Het zou geweldig zijn als Goldstein die wist te ontdekken. Maar of die kunst dan in een toeristische attractie als deze tentoonstelling zou willen hangen?

‘Avant-gardes ’20/’60’ t/m 23 aug Van Gogh Museum, Amsterdam. Inl.: 020 5705200, www.vangoghmuseum.nl.

    • Sandra Smets