Mevrouw Beer verkent Italië

In een zomerserie over reisboeken deze week dat van een Britse schrijfster die met man en kroost een tijdje naar Italië verhuist.

Boerderij in de buurt van het Toscaanse Pienza Foto Peter Menzel. Boerderij in mistige heuvels. ITA_050923_pienza_056_rwx A rural farmhouse at the top of a hill backed by misty hills near Pienza, Italy. (between Rome and Florence, near Montepulciano) Hollandse Hoogte

Rachel Cusk: Het laatste avondmaal. Vertaald door Marijke Versluys. De Bezige Bij, 249 blz. € 18,90

De Engelse schrijfster Rachel Cusk keek naar haar woonplaats Clifton en zag ellende. Het landschap was te vlak, de mensen te bot en cultuurloos en bovendien was de plek vergeven van posters over evangelisatiecursussen. Cusk kreeg het benauwd en besloot samen met haar man en twee jonge kinderen de wijk te nemen naar Italië. Waarom Italië? Omdat Cusks favoriete romanpersonages ‘in tijden van nood ook altijd naar Italië vertrokken’. Of dat verstandige keuzes waren van die personages, vertelt ze er niet bij. Cusk (1967) besloot nog iets. Ze zou over de drie maanden die ze in Italië zou doorbrengen een boek schrijven. En schrijven blijkt voor haar: losgaan op papier.

Zoals de Italianen hun voedsel rijkelijk met olijfolie besprenkelen, zo besprenkelt Cusk haar zinnen met lyrische metaforiek. Het is niet snel te bont voor deze schrijfster. De lezer tot wie de flaptekst en de eerste pagina’s nog niet goed doordrongen, krijgt het idee dat Cusk minimaal naar de maan vertrekt, zo opgewonden en uitbundig gaat ze tekeer. Om duidelijk te maken welke industriële troep ze achter zich laat, wordt elk beschreven object voorafgegaan door bijvoeglijk naamwoorden als ‘kolossaal’, ‘zwart’ of ‘drabbig’. Ook in de beschrijving van de boot die haar nog maar tot Frankrijk brengt, barsten de zinnen uit hun voegen. De weersomstandigheden zijn wat kalm, maar ook kalmte blijkt Cusk tot bijna metafysische bespiegelingen te kunnen dwingen: ‘Geen slagzij of deining, geen kreunende schotten, geen wind of zilte druppels in ons gezicht, er is geen inspanning nodig om ons naar onze bestemming te brengen. Het grote grijze niets schuift langzaam langs de ramen.’

Je vermoedt dat het bij de Cuskjes thuis de kinderen zijn die moeder tot rust manen, en niet andersom. Moeder merkt op de boot ook nog op dat een medereiziger ‘al’ in een ‘peilloze diepe slaap’ is gevallen. Slaapt ze met hem mee, dat ze dat weet?

Een paar keer in het boek spreekt Cusk zich uit over burgerlijkheid. Zo is een huiselijke berenfamilie, afgebeeld in een kinderboek, haar schrikbeeld. ‘Ik wil niet mevrouw Beer zijn, met haar middelgrote spullen, haar bruine moederlijkheid en haar stevige berenlijf [...] Ik wil niet dat wij zijn zoals de familie Beer, gezapig peddelend op fietsen van klein naar groot.’

Maar ze is het wel. Het laatste avondmaal is een ontzettend truttig relaas geworden over een Brits upper-class gezin dat zich, af en toe wat onwennig, wentelt in het goede Italiaanse leven. Men logeert in luxueuze appartementen, men babbelt overdag met de kleine ondernemer die zo moedig z’n hoofd boven water tracht te houden, men struint de musea af onder aanmoediging van een kunsthistorisch boek van Giorgio Vasari. ’s Avonds is er tijd voor een koel wijntje, volgens de schrijfster uiteraard geserveerd in kristalheldere, zeshoekige, glanzende, brandschone, ambachtelijke glazen. Of kannen.

De truttigheid in het boek bereikt een ongewild hilarisch hoogtepunt in een tennispartijtje dubbel met wat Britse expats, waarna Cusk pagina’s lang foetert over het onrecht dat schuilt in het feit dat de minder getalenteerde steeds de bal krijgt toegespeeld. ‘Het is me niet duidelijk waarom de regels van een spel zo anders zouden moeten zijn dan de normen van het sociale verkeer. Waarom zou tennis zich niet hoeven te houden aan de verplichting om beleefd en eerlijk te zijn? In het leven is het onethisch om stelselmatig te profiteren van de ongunstige positie van een ander.’

Mens, mep terug!

De laatste twee weken is het geld bijna op en ziet het gezin zich genoodzaakt om de nachten op een camping door te brengen. Dat is na de luxe overnachtingen een reuzenstap voor Cusk, maar al snel schikt ze zich in haar nieuwe rol. Haar gezin is in haar ogen ineens ontzettend alternatief; nu is het opeens verbazing over andere, beter uitgeruste kampeerders die haar parten speelt. ‘Zij zijn hier niet aan komen zetten met Shakespeare, een laken en een tweepersoonstent die op een of andere manier onderdak moet bieden aan een gezin van vier. Zij hebben opblaasbedden [...]’

Een paar keer schrijft Cusk iets over haar katholieke jeugd. Maar het lijkt of ze de felheid die dan opkomt niet aandurft. Dat is jammer, want je vermoedt dat nu juist in die frustratie iets zit wat je kan raken. Terug in Engeland voelt Cusk al snel weer ‘onrust en de vervreemding van de werkelijkheid’. Ze moet maar snel weer op vakantie. Als ze er maar niet over schrijft.

    • Sebastiaan Kort