Kookhuis

Een paar jaar geleden hoorde ik een opname van de toespraak die onze minister-president Hendrik Colijn in 1937 heeft gehouden in Hoorn ter herdenking van de geboorte van Jan Pieterszoon Coen, toen 350 jaar geleden. Het was in een kerk. Het gaat me niet om wat hij zei maar om de manier waarop. Hij sprak traag, op een zware, zalvende toon. Het was een sonore dreun die in het kerkgewelf nagalmde. Dat is nog maar een jaar of zeventig geleden. Zo spraken de mensen toen als er iets te herdenken viel. Dat werd gewoon gevonden. Zo heeft ook de voetbalreporter Han Hollander anders geklonken dan nu bijvoorbeeld Mart Smeets. Als je degenen die toen in Hilversum iedere dag voor de microfoon kwamen nu zou horen, zou je denken dat ze van een andere planeet kwamen, ook Nederland genaamd, maar tegelijkertijd een vreemde natie. Dat geldt voor de omroepers, nieuwslezers, komieken, gewone mensen, pubers en kinderen. Ik zou er iets voor over hebben Multatuli het Roverslied van Woutertje Pieterse te horen voorlezen. Het zou, denk ik, anders klinken dan de tekst nu doet vermoeden.

Op het ogenblik houden de taalkundigen zich bezig met de invloed die de digitale communicatie op de taal heeft. Twitter, Hyves, sms, e-mail, het bevordert allemaal de bondigheid. Met twitter kun je boodschappen van maximaal 140 tekens versturen. Niet alleen moet je je daarvoor zo kort mogelijk kunnen uitdrukken, maar ook op je nauwkeurigst. Twitteraars, zou je denken, leggen zich dus vooral toe op het uitwisselen van aforismen. Ik weet het niet, ik ben geen twitteraar. Maar luisterend naar andermans gesprekken en lezend wat er in de media ten beste wordt gegeven, vallen me wel andere ontwikkelingen op.

Het gemiddeld tempo van het spreken wordt verder opgevoerd, lidwoorden en lettergrepen worden ingeslikt, aan komma’s wordt steeds minder gedaan. Je hoort het aan het haastig geratel van de kinderen in het openbaar vervoer, en verder blijf ik onze premier een goed voorbeeld vinden, als hij het heeft over het kookhuis of het klietsiekoord. Het eigenaardige is dat bij deze opgevoerde snelheid, en in tegenstelling tot wat je van de invloed van twitter zou verwachten, de manier van uitdrukken steeds omslachtiger wordt.

Een voorbeeld. Twee meisjes van een jaar of zeventien in de tram. Meisje A: „Jaah, dan heb ik zoiets van nou bekijk het maar.” Meisje B: „Nou, dan zou ik toch gewoon zeggen, fuk of, of zo.” A: „Nou zeg, dat weet ik niet. Dat is opeens van, hoe zal ik het zeggen. Toch?” Ze stapten uit, misschien zijn ze buiten nog tot een conclusie gekomen. Mij valt het op dat dit voldoende tekens zijn voor anderhalve twitter en dat er niets in gezegd is. Stelling één: eigentijdse conversatie gaat behalve sneller ook met meer omhaal van woorden waardoor de nauwkeurigheid wordt aangetast.

Breedsprakigheid wint ook onder moderne volwassenen terrein. Luister bijvoorbeeld naar een gemiddeld interview met een creatief persoon op Radio Vier, de klassieke muziekzender. Turf het aantal malen dat de ondervraagde zegt dat hij heel erg, of diep, of helemaal, of ontzettend dit of dat was. Het meest beste wat ik tot dusver heb meegemaakt, hoorde ik een paar weken geleden iemand zeggen. Stelling twee: voor wie er prijs op stelt, zich in het eigentijdse of hypereigentijds Nederlands uit te drukken, is het raadzaam regelmatig de overtreffendste trap te gebruiken.