In Iran blijkt de kracht van de Schrift

De ijver waarmee het regime in Iran beelden van de protesten tegen de verkiezingsuitslagen bestrijdt, heeft een merkwaardig gevolg: de massale opstand komt nog voornamelijk tot ons in de vorm van tekst.

Natuurlijk – er is wel beeld, en dat is indrukwekkend genoeg: knokploegen op motorfietsen, een agent in burger die deze week twee revolvers op een menigte leegschoot. Maar het is als beeld ook steeds meer van hetzelfde en het laat weinig meer zien dan de huiveringwekkende bereidheid van het regime, alle vormen van naakt geweld te gebruiken.

Veel interessanter zijn de schriftelijke uitingen die uit Iran komen – en bedoel ik niet zozeer de snippers van Twitter maar ook de langere teksten die je kunt vinden op sites als tehranbureau.com of thelede.blogs.nytimes.com. Ik ben er nooit geweest en weet maar weinig van Iran. Maar wat een interessant land moet dat zijn, waar de partijen elkaar zo welsprekend met het woord te lijf gaan!

Zo is dat in Nederland ook ooit geweest – tijdens de twisten van het Twaalfjarig bestand bijvoorbeeld: toen werden politieke tegenstellingen en conflicten in de vorm van preken gearticuleerd, en ging het met citaten en interpretaties van heilige geschriften gemotiveerde volk vervolgens de straat op.

De Schrift is een machtig wapen, of het nu om de Koran of om de Bijbel gaat. Ik moest bij die verslagen, over hoe bij de vrijdagpreek van Rafsanjani vorige week ongelovige studenten, vertegenwoordigers van de stedelijke middenklasse en streng gelovigen eensgezind van hun verzet tegen de verkiezingsuitslag getuigden, denken aan Ernest Gellner.

Deze in 1995 overleden antropoloog uit Oxford heeft, voor zover ik weet als een van weinigen, geschreven over ‘fundamentalisme’ als instrument van sociale emancipatie. De vrome studie van heilige geschriften en de neiging deze naar de letter te interpreteren zijn, anders dan urbane intellectuelen als ik en vermoedelijk ook u geneigd zijn aan te nemen, geen uiting van obscurantisme maar juist een middel voor de sociaal lager geplaatsten om deel te krijgen aan de hoge cultuur, en daarmee een instrument van sociale emancipatie.

Dat geldt voor de eenvoudige boeren die zich in Iran bij de demonstraties aansluiten op grond van Korancitaten, voor de Marokkaanse gepensioneerde in Amsterdam-West die van huis uit slechts een berberdialect spreekt waarvoor zelfs geen alfabet bestaat maar nu Arabisch leert om de Koran te bestuderen. En het gold ook voor de streng-christelijke ‘kleine luiden’ die in de negentiende eeuw in het voetspoor van Abraham Kuyper, de Bijbel in de hand, in Nederland de eerste moderne politieke partij, de ARP, vormden. Betrokkenen menen zelf misschien dat zij hun kracht aan het Geloof ontlenen, maar Gellner maakt aannemelijk dat het de met de studie van de Schrift verbonden geletterdheid is, die hen sterk maakt.

Niet het Beeld, maar het Woord wint. En verder moeten al die in Iran inmiddels opgepakte journalisten, filmmakers en andere intellectuelen natuurlijk ten spoedigste worden vrijgelaten.

    • Raymond van den Boogaard