Eén pijl, twee doelen

In zijn jongenskamer in Winnipeg luisterde Neil Young op zijn radio naar de muziek die vanuit het diepe zuiden van de VS naar Canada kwam waaien. Ook in de volwassen Young is het kind dat hij toen was nog altijd te horen.

Neil Young door de jaren heen. in 1968 Foto Nurit Wilde Wilde, Nurit

In een recent interview met het blad Rolling Stone vertelt Bob Dylan dat hij onlangs, tijdens een ‘sentimental journey’ door zijn geboortestaat Minnesota, in een opwelling de Canadese grens was overgestoken om in Winnipeg een van de huizen te gaan bezoeken waar Neil Young als tiener met zijn moeder had gewoond. „Ik voelde me daar opeens toe geroepen. Ik wou zijn slaapkamer zien. De plek waar hij uit het raam had staan kijken. Waar hij had staan dromen. Waar hij elke dag de deur uitging. In wat voor buurt hij woonde. Ik wilde dezelfde traptreden op en af die hij op en af had gelopen. Neil, I respect him so much.”

Achteraf gezien misschien niet eens zo verbazingwekkend, deze actie, voor iemand wiens leven en werk altijd in het teken hebben gestaan van Rimbauds adagium ‘Je est un autre’, maar een aangrijpend beeld is het wel. De 67-jarige Dylan – naar Youngs eigen zeggen zijn belangrijkste voorbeeld, de ‘grootste singersongdichter ooit’ – die plotseling vijfhonderd kilometer noordwaarts rijdt om daar, in een doorsneestraat in Winnipeg, vanaf de stoep omhoog te gaan staan kijken naar de ramen waarachter zijn meest begaafde en succesvolle leerling een aantal van zijn jeugdjaren doorbracht. En waarom? Om zijn slaapkamer te zien. Om, met andere woorden, door de ogen van Young toen hij nog jong was naar de wereld te kijken, maar ook naar binnen, denk ik, naar zichzelf. Om even Young te zijn, en dan weer terug te rijden, terug naar de ander die hij zelf is. Een ontroerender eerbewijs is nauwelijks denkbaar.

Puur op basis van de kracht van dit beeld sluit ik niet uit dat Neil Young destijds, als vijftien-, zestienjarige, wanneer hij uit het raam keek, van zijn kant Dylan op de stoep zag staan. Niet alleen de Dylan van dat moment, die, vier jaar ouder dan Young, net aan het soort glorieuze opmars was begonnen waar hij toen zelf van droomde, maar ook de vijftig jaar oudere, de tijdloze Dylan van nu. Een mogelijkheid die in de lijn zou liggen van Youngs eigen speciale tijdsopvatting, zoals hij die ooit ventileerde ten overstaan van zijn biograaf Jimmy McDonough: „Stel nu dat er meerdere dimensies aan een en hetzelfde leven zitten, en dat alle dingen zich overal tegelijkertijd afspelen. Alles gebeurt op hetzelfde moment, zonder dat er tijd overheen gaat. De wereld beweegt, de mensen bewegen, maar de tijd staat stil. Wanneer ik uit het raam kijk, is de eerste gedachte die bij me opkomt hoe het er daar honderd jaar geleden uit zal hebben gezien.”

Een tijdsopvatting die ook de sleutel bevat tot een belangrijk aspect van veel van Youngs songs. Ik denk aan Cortez The Killer, een van de meest indrukwekkende epische songs ooit op de plaat gezet, waarin een voormalige geliefde van Young zich in het tijdruimtelijke continuum van zijn ziel op precies dezelfde plek bevindt als de Aztekenkoning Montezuma en de genadeloze Spaanse conquistador uit de titel.

Om nog maar te zwijgen van de synchroniciteit van de ‘knights in armor’ en de zilveren ruimteschepen die hij in het huiveringwekkend mooie After The Gold Rush de mensheid op laat pikken na de vlucht van Mother Nature en de teloorgang van de droom van de jaren zestig.

Als het werk van Dylan een magisch

stuk gereedschap is om de tijd mee buiten werking te stellen, en dat is het, dan heeft de eigengereide melancholieke hippietechneut Neil Young daar net zo lang mee aan een van zijn vintage automobielen zitten sleutelen tot hij er mee door de tijd kon reizen. Bij voorkeur tegelijk ver terug en snel vooruit, naar ‘Sugar Mountain’: Youngs klassiek geworden aanduiding voor het verloren paradijs van de onschuld en de eeuwige jeugd, een plek die nooit ergens anders heeft bestaan en zal kunnen bestaan dan in de heimwee ernaar, maar die daarom niet minder werkelijk is, zoals het blijvende effect van het gelijknamige lied van Young nog steeds afdoende bewijst.

En over tijdmachines gesproken: sinds kort kan iedereen, zonder in de auto of het vliegtuig te hoeven stappen, staan waar Dylan stond en doen wat Dylan deed: inzoomen op de vormende fase in het leven en het werk van Neil Young. Dit dankzij het verschijnen – eindelijk, de eerste aankondiging stamt al van 1989 – van deel 1 van de Neil Young Archives (in deze krant op 30 mei besproken door Jan Vollaard): een verhuisdoos vol cd’s dan wel dvd’s dan wel blu-ray discs met beeld en geluid vanaf de prille beginjaren van Youngs carrière tot en met het verschijnen van zijn album Harvest in 1972. Op pagina 31 van het (alleen in de dvd- en blu-ray-versie) bijgeleverde plakboek is een foto te zien van het huis aan Grosvenor Avenue in Winnipeg waarvan Young na de scheiding van zijn ouders, met zijn moeder, de ontzagwekkende Ragland ‘Rassy’ Young, de bovenverdieping bewoonde. Zijn vader Scott Young, een charmante rokkenjager die in Canada bekendheid genoot als schrijver, was in Toronto blijven wonen.

Het was het huis waar Neil Young op een van zijn oom gekregen plastic ukelele speelde en naar The Lone Ranger en de Perry Como Show keek, terwijl hij op zijn moeder wachtte die thuis moest komen van haar baantje als panellid van een quizshow of van een van de met whisky besproeide bijeenkomsten van haar kanovereniging. Het huis waar hij schildpadden hield, fantaseerde over een carrière als architect of boer-op-wetenschappelijke-grondslag, en ’s nachts op zijn transistorradio naar de muziek luisterde die vanuit het diepe zuiden van de Verenigde Staten over de Great Plains naar Canada over kwam waaien – via dezelfde stations als waar Dylan, toen nog Robert Zimmerman, aan de andere kant van de grens, ook altijd naar had geluisterd: country, folk, blues, en natuurlijk Elvis, rock-’n-roll. „Plotseling kreeg je het gevoel een menselijk wezen te zijn. Je werd geraakt door iets. Iets waarvan je wist dat het bepalend was voor wie je zou worden.”

Het huis waar Young met een vriend nummers van de Britse gitaarband The Shadows begon na te spelen, daarbij via een ingewikkelde constructie met een tuinslang nagalm probeerde te creëren, en in staat bleek schommelingen in het voltage terug te horen in het geluid van zijn elektrische gitaar.

En het was het huis waar hij zijn eerste song componeerde, No, de voorloper van een nummer dat hij eind 1972 schreef naar aanleiding van de drugsdood van zijn maat Danny Whitten, de gitarist van Crazy Horse, waarin hij zijn leven tot dan toe samenvatte: het vertrek van zijn vader, het stigma van het dragen van witte loafers, de verlossende kracht van de muziek, de leegheid van de roem. ‘Don’t be denied’ zingt hij, een kreet die hij in het refrein, als in een bezwering, tot in den treuren blijft herhalen.

Wat er precies zo verbeten

bezworen moest worden, had hij toen al messcherp tot uitdrukking gebracht in een nummer uit zijn tijd met Buffalo Springfield: Nowadays Clancy Can’t Even Sing, over een jongetje met wie hij op school had gezeten dat de hele dag liedjes verzon, die hij vervolgens luid op straat liep te zingen. De andere kinderen uit de buurt pestten hem net zo lang tot hij niet alleen niet meer hardop durfde te zingen, maar zich zelfs ging schamen voor zijn natuurlijke aandrang om zich op die manier te uiten. Genoodzaakt te worden je eigen natuur, je eigen drang tot expressie te verloochenen en te onderdrukken – daarin schuilt Youngs diepste angst.

Over schooljaren gesproken. In het boekwerk bij de Neil Young Archives Volume 1 staan ook een paar klassefoto’s, genomen rond de tijd dat Young – hij was toen een jaar of zes – getroffen werd door polio, een ziekte die hem definitief van een dikkig ventje zou doen veranderen in een lange slungel wiens linker lichaamshelft net iets trager is dan de rechter.

Meestal word ik in verlegenheid gebracht wanneer iemand – ook iemand die ik goed ken – mij een oude klassefoto laat zien in de verwachting dat ik hem of haar er direct op zal kunnen aanwijzen. Maar nu: jawel! Daar! Achterste rij, derde van links, en daar, aan die grote tafel, uiterst rechts: de kleine Neil. Of eigenlijk: de grote Neil, maar dan op zakformaat en met kort haar. Met die beetje schalkse, verlegen-uitdagende grijnslach om zijn mond (‘I am a child/ I’ll last a while/You can’t conceive of the pleasure in my smile’) en vooral ook die twee groot opgezette, dwars door alle valse beloftes, maskers en muren heen kijkende, donkere ogen.

Het is niet zo dat Neil Young altijd een kind is gebleven, eerder dat hij het kind dat hij was heeft meegenomen naar zijn volwassenheid – alsof hij het niet over zijn hart kon verkrijgen het zomaar achter te laten in het verleden of bij andere volwassenen. Terwijl hij ondertussen heel goed weet dat er meestal niets anders op zit. Alle emotie die daarmee, vooral met dat gedwongen afscheid, gepaard gaat zit in zijn stem, in het vreemd hoge en dunne, soms boos-snerpende, maar vaker aarzelende, bijna jankerig-breekbare geluid van zijn zangstem. Een stem die altijd vrijuit spreekt, ongehinderd door technische beperkingen, laat staan door enige ‘volwassen’ belemmeringen, maar die tegelijk doortrokken is van iets eeuwig droefs, iets wat nooit meer opgelost zal kunnen worden. En het zit ook, a fortiori zelfs, in zijn gitaarspel, diezelfde mengeling van woede en verdriet en tegelijk, tegen de klippen op, de overstijging daarvan. Met name in de lange lyrische solo’s waarin Young de luisteraar tot zich roept, bij de lurven pakt, hypnotiseert en weg laat zweven op een trip die dwars door de vier poorten van de wereld en alle valleien van het menselijk gemoed voert, de vrijheid tegemoet. Toegegeven, Young heeft, zoals ook uit de soms gekmakende kwalitatieve wisselvalligheid van zijn latere oeuvre blijkt, de neiging te overdrijven, te ver te gaan, zich op te blazen. Maar dat hoort erbij, maakt deel uit van zijn principiële primitivisme. Als gitarist kan Young wat alleen sommige bluesmannen konden: praten met zijn vingers, met het bloed op de snaren, als een doofstomme die het, om te kunnen communiceren, van gebarentaal moet hebben.

Youngs gitaarspel levert vaak ook de punchline die zijn teksten met name in zijn beginjaren nogal eens ontberen – of ze nu de ups en downs van het eenvoudige leven en de liefde betreffen, of aanvallen van gierende angst en paranoia. Maar ja, die teksten heeft hij zelf ook maar ‘doorgekregen’ – zoals hij zich, met de bestudeerde boerenslimheid Young eigen, graag van de domme houdt wanneer ernaar gevraagd wordt – vanuit vorige levens, de tijdgeest, de grote grabbelton van het onbewuste, geen idee.

All of the above, denk ik,

zoals het ook klopt wat Randy Newman over Youngs teksten heeft gezegd: „Het is net een kind dat wild om zich heen aan het klauwen is en zich vastklampt aan het eerste het beste dat hij tegenkomt. Maar tussen al die grepen in is er een enorme intelligentie aan het werk, die ervoor zorgt dat het allemaal doel treft.” En dat doet het. Niet alleen op het vlak van de emotie, hoe en waar het je raakt als publiek, maar ook op dat van de betekenis. Met beelden en metaforen die niet als opsmuk dienen van een mededeling die je ook ‘gewoon’, kaal zou kunnen doen, maar als de mededeling zelf. Eén pijl, twee doelen – daar gaat het om. Tenminste, als er een poëtische ‘intelligentie’ aan het werk is als die van Young of die van Dylan.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat ze elkaar, in al hun individuele excentriciteit, complementeren. Dylan, de mystieke zigeuner, als de geest die over de wateren zweeft en alles reflecteert wat er daaronder en daarboven beweegt, en Young, de stevig gewortelde woordvoerder van ieders ‘inner child’, als de stem en de melodie van het menselijke gemoed. De een werkt van buiten naar binnen, de ander van binnen naar buiten, en tussen hen in is de deur altijd open.

Misschien is dat nog wel de meest simpele en aandoenlijke reden waarom Dylan, de man van I’m Not There, op zijn dagtrip door het verleden plotseling zo graag naar het huis van Neil Young wilde: Neil is altijd thuis.

Neil Young. ‘Neil Young Archives Vol. 1’, Reprise, 2009.Jimmy McDonough. ‘Shakey. Neil Young’s Biography’. Random House, 2002.