'De muziek mocht beslist niet gevoelig zijn'

‘De mooiste muziek en de beste proza en poëzie zijn die waarin een hele grote heftigheid aan emoties in een heel strakke, knappe structuur zit gevangen.’ Na de dood van haar dochter Margit speelde Anna Enquist zeer moeilijke stukken op piano, de Goldberg-variaties: ‘Hoe moeilijker, hoe beter, als het maar niet mooi was.’ Hoewel ze de laatste jaren weinig of geen plannen had, verschijnt er toch een nieuwe dichtbundel. Het pianospelen eraan geven, zoals ze in 1989 deed, zal niet meer gebeuren. Het musiceren geeft structuur aan de dagen en het kanaliseert het verdriet. ‘Ik wil niet dat Margit in de vergetelheid zakt.’

Anna Enquist Foto Vincent Mentzel Anna ENQUIST (1945) Nederlands schrijfster. Pseudoniem van Christa Widlund - Broer. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Amsterdam, 23 juni 2009 Mentzel, Vincent

In haar debuutroman Het Meesterstuk (1994) verliest een moeder een kind. Anna Enquist, zelf moeder van een zoon en een dochter, beschreef het verlies zo beeldend dat ze post kreeg van ‘lotgenoten’. Maar Het Meesterstuk was fictie.

In 2001 verloor Enquist (pseudoniem van Christa Widlund-Broer) werkelijk haar dochter Margit, die omkwam bij een fietsongeluk. Enquist wijdde er een dichtbundel aan (De Tussentijd, 2004) en een monoloog (opgenomen in De Sprong, 2003). „Ik wilde iets met mijn dochter”, zegt ze. „Schrijvers moeten schrijven over wat ze bezighoudt. De dood van Margit is wat mij bezighoudt.”

In 2007 volgde de roman Contrapunt. Enquist, zelf behalve schrijfster en psychoanalytisch therapeute ook pianiste, neemt daarin Bachs Goldberg-variaties als keurslijf voor de emoties van „de vrouw”. Zij stort zich op het studeren van Bachs extreem veeleisende pianomuziek om zo los te komen van haar verdriet over het verlies van „de dochter”. De Goldberg-variaties roepen, associatief, beelden op uit de jeugd van het meisje. Canons, de ene stem de ander imiterend, weerspiegelen de moeder/dochter-relatie. In drukke pianofiguurtjes hoort de vrouw kibbelende kinderen. De herinneringen worden afgewisseld met beschouwingen over de muziek en historische doorkijkjes in het leven van Bach, die ten tijde van de Goldberg-variaties zijn zoon Bernhard verloor.

Toen u schrijver werd, stopte u met pianospelen. Na de dood van uw dochter begon u weer. Waarom?

„Pianospelen was het enige wat ik prettig vond. Ik doe het nog steeds vrijwel elke dag. In het begin studeerde ik vooral zo ingewikkeld mogelijke muziek. De Goldberg-variaties, vierstemmige fuga’s. Hoe moeilijker, hoe beter – als het maar niet mooi, niet gevoelig was. ”

In uw boek zijn Bachs Goldberg-variaties kapstokjes voor herinneringen aan uw dochter. Kunt u ze nog horen? Nog spelen?

„Mijn dochter hield veel van de Goldberg-variaties; ik zie ze daarom juist als een middel tot verbinding met haar, via de muziek. Pianist Ivo Janssen en ik hebben een muziekprogramma over Contrapunt; hij speelt de variaties, ik lees voor. Natuurlijk hoor ik dan die muziek, lees ik mijn woorden. Maar ik laat me er niet door opnaaien. Zoals Ivo zorgt dat hij verzorgd speelt, zo zorg ik dat ik foutloos lees, en in het juiste tempo.”

Opvallend: u speelde moeilijke pianostukken om niet aan uw verdriet te denken, hier gebruikt u techniek ook om emotie mee te hanteren.

„Ja, ik vind dat sowieso een prachtig principe, dat voor heel veel dingen geldt. Ook voor hoe je kunst, muziek in het bijzonder, kan beoordelen. De mooiste muziek en de beste proza en poëzie zijn voor mij die waarin een hele grote heftigheid aan emoties in een heel strakke, knappe structuur zit gevangen. Een goede standaard om iets aan te beoordelen.”

Bent u helemaal zo ordelijk?

„Nee zeg, je zou mijn linnenkast moeten zien! Het heeft puur met kunst te maken. Wetenschappelijk gezien weet ik van literatuur geen bal af, dus hoe beoordeel je dan wat je maakt? Ik ga uit van wat ik voel bij muziek, en dat is dit. ”

Bent u onzeker over wat u schrijft? Ik vind het opvallend dat u zo’n kwaliteitsleidraad prettig vindt.

„Normaal niet. Maar bij Contrapunt wel; het gevaar dat het sentimentele autobiografische rotzooi wordt, is levensgroot. Ik heb er ook een paar jaar over gedaan voor ik überhaupt zeker genoeg was om eraan te beginnen. En dat kon ook echt alleen maar dankzij die heel strakke, rare structuur van de Goldberg-variaties die ik mezelf heb opgelegd.”

U publiceerde eerst een andere roman, ‘De Thuiskomst’, over James Cook.

„Dat was goed om die eerste tijd van de straat te blijven. Omdat De Thuiskomst een historische roman is, stond het schrijven ervan in alles lekker ver van het gewone leven af. Het eiste ook allerlei opzoekwerk. Hoe ziet het behangpapier van Mevrouw Cook eruit? Dat moet je dan uitzoeken in een boek over 18de-eeuwse interieurs. Pas gaandeweg kwam er ook gevoel bij. Die vrouw raakt zes kinderen kwijt. Hoe geef je dat zo vorm dat het voor de lezer nog een beetje te pruimen is?”

Heeft u zich die vraag bij ‘Contrapunt’ ook gesteld? Ik heb het boek zeker tien keer weg moeten leggen, omdat ik de onheilszwaarte anders niet verdroeg.

„Nee, die zorg voor de lezer kon ik er hier niet echt bij hebben. Ik vond het al zo’n toer om het te schrijven. Gevoelsmatig wilde ik een zo trouw mogelijk beeld schetsen van het leven van zo’n meisje. Het belang van haar leven tonen. Ik heb veel aardige post gekregen van lotgenoten. Ik breng het niet op om terug te schrijven, maar bewaar die brieven wel. Het is fijn dat iemand begrijpt wat ik bedoel, en dat hij er iets aan heeft gehad.”

U schrijft over luisteren naar pianist Glenn Gould dat u zich een voyeur voelt; wat hij doet is te intiem om te delen. Dat gevoel bekroop me bij ‘Contrapunt’ soms ook.

„Als je je als schrijver daardoor laat hinderen, komt er nooit wat op papier. Ik houd me maar vast aan het feit dat alles gestructureerd is. De herinneringen zijn verschoven of verdicht – het is een bewerking.”

Maar de herinneringen zijn ook echt, van u, waargebeurd.

„Toch: ik had het ook allemaal kunnen verzinnen. In Het Meesterstuk sterft ook een kind. Toen heb ik verzonnen hoe de moeder reageert. Met goed inleven kun je veel echt doen lijken: dat is ook wat een schrijver doet. Maar inderdaad: dit gaat over wat mij is overkomen. Ik geef me bloot om een monumentje op te richten voor mijn dochter. En reken dan maar op mijn redacteur: dat die me behoedt voor al te persoonlijke uitglijders.”

Hoe ervoer u de voltooiing van het boek?

„Verschrikkelijk. Ik heb er bewust lang over gedaan. Vervolgens is het eerst nog in het Duits verschenen. Afstand doen van een boek is altijd lastig, maar meestal is dat ambivalent. Dan ben ik ook opgelucht, of trots. Dat was nu niet zo. En voor het eerst had en heb ik ook helemaal geen plannen meer voor erna.”

Wat niet betekent dat er niks komt.

„Echt: ik heb geen flauw idee.”

Sommige schrijvers zeggen: hup, gewoon om 8 uur achter het bureau gaan zitten. Dan komt het vanzelf.

„Ach, nee, dat vind ik zonde van mijn tijd en energie. Dan ga ik liever pianospelen; ben ik meteen in contact met iets moois wat een ander bedacht heeft. Maar het is een raar gevoel geen plan te hebben. Eerst maar een dichtbundel. Die is al bijna af, trouwens. En verder wacht ik af. Het is ook moeilijk om rust te vinden voor het schrijven. Al dat reizen, de praktische dingen tussendoor. Ik heb het altijd druk gehad, maar nu voelt het als noodzaak. Lege tijd vind ik onprettig.”

Historische romans – daar ligt toch een zee aan onderwerpen voor u braak, zou ik denken.

„Maar dan moet je wel eerst door een onderwerp gepakt worden!”

Een mooi Bach-boek, misschien?

„Nee, de tijd voor de Verlichting staat te ver van me af. Die enorme religiositeit – wat beleven mensen daar nou echt aan? Ik kan me daar onmogelijk in verplaatsen.”

U bent lekker fel in uw afkeur van spiritualiteit en religie.

„Ja, ik vind het vies en infantiel en regressief.”

Hoe komt het dat uw boeken zelden zo ironisch zijn als u zelf bent?

„Dat zie ik zelf ook wel als een tekort. Ik zou heel graag veel grappiger willen kunnen schrijven. Zoals Reve of Frans Thomése of Herman Koch. Dat je hele erge dingen zo opschrijft dat er om te lachen valt. Maar ik kan het niet. Misschien ook omdat ik tot nu toe zwaarwichtige onderwerpen koos die voor mij heel belangrijk waren.”

U komt net uit de boekwinkel. Wat zit er in dat tasje?

„Het was lastig kiezen. De leukste vakantieboeken, zoals die detectivetrilogie van Stieg Larsson, heb ik al uit. Ik had ook al een boek gekocht over Thomas Bernhard, van een vriend van hem die stiekem alles heeft opgeschreven wat ze bespraken. Wat een zieke vriendschap, heerlijk. Maar helaas heb ik ook dat onmiddellijk uitgelezen Dus neem ik maar een stapel detectives mee, en nog wat Duitse klassiekers – al gaan we naar Frankrijk. En de nieuwe Frida Vogels. Verschrikkelijk, al die dagboeken, maar ik lees ze allemaal. Ik houd erg van dikke boeken.”

Misschien moet u zelf eens een fijne, vuistdikke detective schrijven.

„Dat zou ik ontzettend leuk vinden. En wat men er van zou vinden, daar zou ik me niks van aantrekken. Ik schrijf omdat ik het leuk vind.”

In ‘Contrapunt’ is uw taal rauw. U schrijft dat de vrouw de toekomst „als wurggreep” ervaart. U ook?

„Het is echt niet zo dat ik nooit lach; er zijn heus dingen die ik leuk vind. Maar niet wezenlijk, natuurlijk. Muziek is datgene in het leven wat me altijd het meest heeft geraakt en beziggehouden. Vlak na de dood van Margit heb ik met mijn man en een bevriend echtpaar toch meteen kamermuziek gemaakt. Je hoeft dan niets te zeggen, maar communiceert toch. Verhuld emotionele avonden waren dat. Dat vond ik fijn.”

In uw literaire voorstellingen werkt u samen met pianist Ivo Janssen. Waarom speelt u daar niet óók zelf?

„Bah, ik ga toch niet op grond van mijn succes als schrijfster een beetje de pianist uithangen! Mijn pianospel is daarvoor ook echt veel te krakkemikkig. Ik speel zo nu en dan wel eens ergens in het amateurcircuit, onder mijn eigen naam. Dát vind ik leuk. Maar ook dan moet het goed zijn. Ik studeer me rot voor zo’n optreden.”

Heeft u zich ooit ‘pianist’ gevoeld?

„Nee, een echt uitvoerende pianist ben ik nooit geweest. Ik was een rare spijtoptant, ging pas naar het conservatorium toen ik al 24 was. Echt goed ben ik ook nooit geworden, hooguit middelmatig. Maar God, want vond ik die opleiding leuk! Ik heb daarna ook lang les gegeven aan het conservatorium en een psychotherapiepraktijk gehad voor muziekstudenten. Podiumangst, studieproblemen; ik snapte waar ze het over hadden.”

U gebruikte in uw eigen situatie pianostudie als middel om de chaos te ordenen. Raadde u dat toen ook musici-patiënten aan?

„Het viel me, ook toen al, wel altijd op hoe ontzettend heilzaam muziekstudie is voor mensen. Die geeft structuur aan je dagen. Zeker bij jonge mensen zie je soms dat ze dagen in bed blijven liggen, of aan de hasj gaan. Muziekstudenten hebben daar minder last van. Door hun liefde voor de muziek móeten ze wel een paar uur per dag studeren. En dan ben je al een end.”

Toen u schrijver werd, gaf u de piano op. Kan dat nog eens gebeuren?

„Nee. Toen ik in 1989 stopte met pianospelen, was dat omdat ik er opeens veel minder tijd voor had en me rot ergerde aan mijn niveauverlies. Nu ben ik toleranter en vooral blij met wat er wél gaat. Je wordt ouder, dus fysieke coördinatie en vooruitdenken gaan sowieso minder vanzelf. Ouder worden is vreselijk. Rustiger, wijzer? Allemaal vergoelijkende onzin.”

U bent 64; bent u nog actief als psychotherapeut, eigenlijk?

„Ik heb nog een kleine praktijk, vooral voor mensen die zelf later therapeut willen worden.”

Geen patiënten die echt in de knoop zitten.

,,Nou.... de meeste mensen kiezen dit vak niet voor niks, hoor. Weliswaar moet elke psychiater in spe in leertherapie, maar je kunt ook volstaan met groeps- of gedragstherapie. Individuele psychotherapie kies je zelf. Ze blijven ook allemaal langer dan dat verplichte jaar.”

Kon u het na de dood van uw dochter opbrengen therapeut te zijn?

„Eerst niet. Ik werd te veel in beslag genomen door mijn verlies. Later ging het wel weer. Uiteindelijk raak je toch steeds weer geboeid door hoe iemand in elkaar zit, wat zijn centrale probleem is en hoe je daar bij kunt komen. De vraag wat dan ‘erg’ is of wat minder ‘erg’, is echt niet aan de orde.”

Waar kijkt u naar uit?

„Componist Geert van Keulen heeft voor het Koninklijk Concertgebouworkest een Requiem voor mijn dochter gecomponeerd, op gedichten uit De tussentijd. Dat gaat in november. Het slaat nergens op, maar ik wil dat er steeds weer iets komt. Dat ze niet in de vergetelheid zakt.”