Botten en tranen prachtvol ingebed

Reliekkast met circa 50 reliekjes, veelal botfragmenten, en met knipselwerk uit perkament, circa 1600 Uit besproken boek

Anique de Kruijf, Evelyne Verheggen: Het hemels lichaam. Breda’s Museum, 230 blz. € 29,50.

Het begon in Rome, in de eerste eeuwen na Christus, met een ingetogen maaltijd op een grafsteen. En het ontaardde eeuwen later in een wijdvertakte, louche handel in botresten, gestolen uit zo’n zelfde Romeins graf. Fysieke overblijfselen van christelijke martelaren zouden bij katholieke gelovigen nog lang populair blijven, én een twijfelachtige reputatie genieten. Want hoe kan het dat er zes schedels van de heilige Johannes in omloop kwamen en zó veel splinters van het kruis van Golgotha dat je er een Toren van Babel van kon bouwen?

Kerken en kloosters etaleerden de vingerkootjes, nagels, haarplukken of tanden van heilig verklaarde christenen met graagte, want er kwam veel volk op af dat aan het zien of betasten van zo’n overblijfsel troost, genezing of een hemelplek dacht te kunnen ontlenen. En het liep natuurlijk storm als er gebottelde tranen tentoongesteld konden worden van Maria, die vanwege haar hemelvaart geen lijf had achtergelaten. Eerst stopte men zo’n religieus kleinood, een reliek, in het altaar, eeuwen later in een aparte houder, een reliekhouder. Die kon de vorm aannemen van een vergulde monstrans (een gotische minitoren), een rijk versierde lijst, een loden kistje, een met veel liefde in elkaar geknutseld kijkkastje, zelfs van een zilveren ledemaat op ware grootte. En op al die verpakkingen werd veel geduld, ambachtelijkheid en koestering losgelaten.

Vijfhonderd van deze relieken, de zogenaamde collectie Hamers-IJsebrand die vijf eeuwen bestrijkt, zijn onlangs geschonken aan het Breda’s Museum. Reden genoeg dus voor een tentoonstelling (tot 24/01/2010) en voor een aantrekkelijk vormgegeven boek, Het hemels lichaam. Daarin doen twee kunsthistorici deskundig het hoe, wat en waarom van onder meer visioenen, bedevaarten en aflaten uit de doeken. En ze reconstrueren de geschiedenis van het reliek, die in 1566 een breukvlak liet zien toen beeldenstormende protestanten korte metten maakten met het door hen verfoeide, bijgelovige katholieke erfgoed.

Het boek, de collectie dus, geeft een fantastische variëteit aan reliekhouders te zien. Bergkristal, parels, borduursels, zilver, goud, er kwam van alles aan te pas om een of meer botjes, stukjes textiel, gruis en andere fysieke sporen van heiligen of heilige plekken beminnelijk in te bedden. Alsof de verbeelding van de gelovige, vertrouwd met de gruwelijke verhalen van gemartelde voorgangers en met het aardse tranendal, naar de sprookjesachtige contreien van een hemels Jeruzalem-in-miniatuur moest worden gedirigeerd.