Bebloed schaafijsen een verdwaalde haai

Twee schrijvers ontdekken Nederland bij nacht.

Vandaag het slot: Olga van Ditzhijzen bij de Scheveningse visafslag.

(Foto David Galjaard en Christian van der Kooy) Galjaard, David;kooy, christian van der

In Urk zijn oorringen voor mannen onverminderd populair. Een bolle, witblonde jongen met grote glimmende hangers onder zijn baseballpet heeft ‘Wollie’ op zijn oversized oranje oliepak gekalkt.

Is dat zijn naam? Hij stoot wat hoekige klanken uit. Komt hij uit Polen, of uit Denemarken soms? De bijna albino-achtige knul grijnst. Nee, hij komt gewoon uit Urk.

Wollie staat op de kade van de Scheveningse visafslag en tuurt in de boot die in het water ligt. Zijn maat Simon tilt met een hijskraan een onuitputtelijke voorraad plastic bakken uit het ruim. Vervolgens trekt Wollie de lading op de kant.

Tussen flinters roze bebloed ijs in de kratten liggen levenloze schollen, al ontdaan van hun ingewanden. Wollie plakt op elke krat een papiertje met de naam van het schip. Hij haalt de velletjes door een plas water en plakt ze op de zijkant.

Een andere man laadt de kratten-toren op een heftruckkarretje en rijdt de vis de loods in. Piep, piep, piep. Vooruit, achteruit, en af en toe lekker hard over de kade racen. Het is bijna het enige geluid in de haven, tussen de zwijgende vissers.

Twee uur ’s nachts is het, en de boulevard van Scheveningen is uitgestorven. Geen strandfeestjes, deze winderige nacht. In een geparkeerde auto roken twee jongens starend naar de zee een sigaret. Lichtjes branden aan de horizon. Geen stad, maar een reeks vissersboten. Af en toe lijkt een flits daglicht door te breken, maar dat blijkt de lamp van de vuurtoren. Of is het bliksem? Niemand te zien. Alleen achter deze lange rij donkere loodsen in de haven wordt in stilte gewerkt. We kunnen er gewoon binnenlopen, niemand kijkt op.

Hier ligt de Inger Katrina aangemeerd, uit het Deense Thorsminde. En de Adriana Maria, uit Tholen. Het Zeemanshuis, de visserskantine, blijkt gesloten. Koffie drink je in de kajuit. Gezellig met de jongens onder mekaar. Nee, vrouwen mogen niet aan boord, gieren de vissers. Geen koffie dan maar.

Vissers als Wollie en Simon zitten de hele week op zee. Op vrijdag lossen ze hun gevangen vis en dan rijden ze naar huis, naar Urk. Dan is het weekend en gaan ze lekker de kroeg in. Zo gaat dat al generaties hoor, in Urk, zegt Simon. Een andere visser – jaja, gouden oorringen – lacht als ik vraag waarom ze niet gewoon op het IJsselmeer vissen. ,,Dat gaat al een jaartje of vijftig niet meer, hoor!” De Afsluitdijk, even vergeten. Toch wilden de jonge Urkers vissen, dan maar op de Noordzee. Het is traditie. Het zit in je bloed.

Wollie heeft een bloeddoorlopen oog. Ik heb al visioenen van een vishaak die aan zijn oogkas bleef haken, maar nee hoor: „Ongelukje met de scooter”. Onverstoorbaar werkt het duo hun routine af. Als het ruim leeg is gaat kapitein Simon zijn handel inspecteren in de loods.

Daar staan op een verhoogd plateau zo’n acht oudere mannen bij een lopende band. Het ijs wordt uit de bakken gezeefd, met de hand sorteren de mannen de vissen op maat. ‘Flats’ klinkt het, zo gooien ze de vissen in nieuwe kratten. Grote schol, middelgrote schol, kleine scholletjes, elk in hun eigen bak.

Twee mannen lijken er een wedstrijd van te maken wie het snelst de lopende band met vissenlijkjes heeft weggewerkt, zuigend aan een peukje dat tenslotte met een boogje op de grond wordt uitgespuugd.

Bert heeft hier de leiding, zo’n beetje. Sinds zijn achttiende werkt hij op de Scheveningse visafslag. Dat is 25 jaar geleden. Het verveelt hem nog niet, hoor. Bovendien verdient het goed, vis sorteren. Lekker, ’s nachts werken. Hij klost naar buiten in zijn overmaatse kaplaarzen en draait een shaggie.

Over vier uur komen de handelaren om de vissen te kopen. Achter het gebouw staan de vrachtwagens, klep open, klaar om de kratten verder te brengen naar de zaterdagmarkten.

Zit er wel eens wat geks tussen? ,,Och, een haaitje ofzo.” Als visser moet je verplicht nonchalant zijn. Bert wijst naar een krat, waar een vissenstaart van een meter lengte uit steekt. Het kraaloog van de dode babyhaai kijkt over de rand van de krat. Op zijn voorhoofd zit een briefje geplakt met een nummer. Wordt die ook verkocht? Aan Chinezen, zeker? Welnee, zegt Bert. Gewoon, aan de vishandel. ,,Doet het altijd leuk voor op de toonbank.”

Hij tilt de haai aan zijn snuit omhoog en toont de kleine, scherpe tandjes. ,,Maar deze eet geen mensen, hoor.” Wat voor haai het is, tsja, er zijn zoveel soorten. Een sabelhaai, zegt Bert. Google blijkt daar nog nooit van te hebben gehoord.

In een andere krat zitten losse krabbenpootjes. Waar is de rest van de krab dan? ,,Die mag je niet vangen.” Regels. Wat wel mag: van de gevangen krab een pootje afsnijden en weer teruggooien. ,,Die poot groeit dan vanzelf weer aan.” Ook in de kratten: poon, rode en blauwe, met van die leuke snorharen.

Je zou veel krijsende zeemeeuwen verwachten aan de kade, maar dat valt wel mee. Misschien moeten die ook eens slapen. Bert smijt een visgraat naar buiten, een enkele meeuw vangt hem op. De man met het heftruckkarretje kiepert een enorme bak met roze schaafijs de haven in.

Aan de kant staat een man met slippers en shorts. Ook een nieuwsgierige voorbijganger? ,,Nee hoor, ik ben visser. Maar ons schip is stuk”, zegt hij in het Engels. Tolo komt uit Polen en vaart voor een Nederlandse eigenaar. Vier weken op zee, twee weken aan wal. Wat ze vangen? ,,Tong”. Hij vindt het heerlijk. Stukje varen, vissen, kaarten, de netten ophalen, een uurtje slapen en dan alles weer van voren af aan.

Ze hebben een week gezocht naar een verloren net, dat door een anker kapot was getrokken. ,,De hele zee afgezocht, maar we hebben hem gevonden”, lacht hij. Kost al gauw honderdduizend euro, die slordig opgehangen touwconstructies in de zijstagen. Daar ben je wel voor verzekerd hoor, maar ja, de no-claim is ook wat waard.

Hij maakt grapjes tegen andere Polen op een aanmerende boot en pakt het aanlegtouw aan. De mannen in gele oliepakken drentelen wat door de kuip.

Wollie en Simon zijn inmiddels driftig aan het schoonmaken. De meeuwenpoep wordt weggeborsteld. ,,Het moet er toch een beetje sjiek uitzien”, zegt Simon. Iedereen is in de weer met waterslangen en bezems. We soppen door plassen gesmolten ijs. In de verte licht de hemel steeds vaker op. Toch bliksem. Door een krankzinnige stortbui rennen we naar de auto. De geur van schol kleeft nog dagen aan mijn schoenen.