Als het nodig is, doe ik het weer

De monumenten van Bogdan Bogdanovic vallen ten prooi aan onverschilligheid, geldgebrek en ideologische ruzies. Zijn beelden horen bij een land dat niet meer bestaat.

‘The Flower Memorial’ uit 1966, op de plek van het voormalige concentratiekamp Jasenovac Foto Dirk-Jan Visser Photo: Dirk-Jan Visser / Jasenovac - Croatia: 10-05-2009: Bogdan Bogdanovic (Belgrade 1922) the leading architect of memorials in the former multi-ethnic state of Yugoslavia, an unconventional urbanist, essayist and writer. Between 1951 and 1981 Bogdanovic completed over twenty memorials throughout Yugoslavia to commemorate the victims of fascism and anti-fascist resistance fighters. Here: The Flower Memorial in Jasenovac. It was built in 1966 on the site of the former Jasenovac Camp III. A concentration camp ran by Croatian fascists. The memorial is made of reinforced concrete. It consists of a base with six niches separated by concrete walls, along the bases of which are basins for water, and a central column with extends into the developed mantle of the Flower. Six trapeze - shaped slabs extend to the ceiling part of the niches. The crypt of the monument is paved with railway sleepers and on the nord side, there is a bronze plaque on which verses from the poem Jama (The Pit) by Ivan Goran Kovacic are etched in relief. Visser, Dirk-Jan

Een parkeerstrook achter de vangrail is de belangrijkste aanwijzing dat zich langs de weg tussen Trstenik en Vrnjacka Banja iets bevindt wat de moeite waard is om te stoppen. Wie snel naar rechts kijkt, ziet achter de top van een rommelige helling het puntje van een reusachtig prismavormig monument van grijs graniet. Er loopt een steil, slingerend pad omhoog. Het herinneringspark in Centraal-Servië is in een geïmproviseerde motorcrossbaan veranderd, met autobanden om de bochten te markeren en een door de wind half afgescheurd spandoek bij de start.

Een bordje aan een lantarenpaal op de parkeerplaats herinnert eraan dat vissen zonder vergunning hier verboden is. Maar niets verwijst naar het monument voor de eerste grote slag tussen de communistische Partizanen en de Duitse bezetter, die hier in 1941 in het hart van Joegoslavië plaatsvond. Hier zullen bij de onthulling van het monument in 1981 – maarschalk en opperpartizaan Tito was nog maar net overleden – de autobussen met bezoekers hebben gestaan. Architect van dit ‘mausoleum’ was natuurlijk Bogdan Bogdanovic (Belgrado, 1922), die toen al achttien herinneringsparken en monumenten in Joegoslavië op zijn naam had staan.

Het bestaat uit drie, over een lengte van vijftig meter in elkaars verlengde liggende elementen, elk voorzien van een gat, zodat ze samen een denkbeeldige telescoop lijken te vormen waarmee de bossen aan de andere kant van het dal kunnen worden beloerd. Het is een monument om doorheen te lopen, via trapjes te bestijgen, nu eens van dichtbij, dan weer van een afstand te bekijken. Als je in de grote, centrale driehoek staat en iets roept, lijkt de echo van alle kanten te komen. Gebeiteld in het kostbare graniet uit Herzegovina vier maal de tekst: ‘Als het nodig is, doe ik het weer’.

Werk van Bogdan Bogdanovic,

de monumentenbouwer van Joegoslavië en een van de meest vooraanstaande kunstenaars uit de socialistische federatieve republiek (1944-1991), daar komt tegenwoordig niemand meer om. In het gras bij het monument bij Trstenik liggen de resten van een kampvuur, bierflessen en andere rotzooi. Over het pad komt een paarse Lada Niva de heuvel op getuft, richting bos. De spottende blik die de chauffeur op de bezoeker werpt zegt: sentimentele buitenlander. Er kan nog net een zuinige groet vanaf.

„Als architect is hij in Servië praktisch vergeten”, zegt curator Ivan Ristic van het Weens Architectuurcentrum (AZW). „Droevig”, zucht hij door de telefoon. In Wenen werd dit jaar een expositie gewijd aan de architect, schrijver en filosoof die tussen 1951 en 1981 de herdenking van de Tweede Wereldoorlog in Joegoslavië vorm heeft gegeven. Behalve historische foto’s zijn daar ontwerpschetsen van de negentien bouwwerken te zien. Het zijn reusachtige tempels in herinneringsparken, vol fantasiefiguren van zandsteen, beton en graniet, uilen, slangen en mythische monsters met speelse verwijzingen naar de Oudheid en lokale tradities.

Bogdanovic vond inspiratie in de Griekse klassieken en zocht als gymnasiumleerling al aansluiting bij de Servische surrealistische beweging. Na de Tweede Wereldoorlog en zijn studie architectuur begon hij een carrière als bouwer en schrijver. Hij combineerde naar eigen zeggen surrealisme met de architectonische lessen van Le Corbusier.

De catalogus van de tentoonstelling in Wenen brengt de monumenten voor het eerst samen in een boek en vormt daarmee een prima reisgids door alle Joegoslavische republieken, met uitzondering van Slovenië, maar inclusief Kosovo. „Ze hadden ook nergens anders kunnen staan”, zegt Ivan Ristic. Bogdanovic’ stijl was volgens de curator een antwoord op de behoefte aan een Joegoslavische vormentaal, die niet alleen culturele verschillen tussen volkeren oversteeg, maar ook brak met het stijldictaat dat andere landen in het Oostblok zich vanuit Moskou lieten opleggen. Nadat partijleider Josip Broz ‘Tito’ in 1948 met Stalin had gebroken, zocht Joegoslavië de ‘derde weg’ tussen communisme en kapitalisme. Dat had zijn uitwerking op de beeldende kunst en de architectuur en dus ook op de manier waarop de strijd van de Partizanen werd herdacht. Die cultus was cruciaal voor het afdwingen van een gezamenlijke identiteit en als verbeelding van de ideologie.

Maarschalk Tito moet een zwak

hebben gehad voor Bogdanovic, die zich al tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de communisten aansloot. De architect kreeg alle ruimte om op de herdenking van massa-executies, concentratiekampen, opstanden en veldslagen zijn eigen fantasie los te laten. Ook zijn onconventionele manier van lesgeven, met werkcolleges op de faculteit in Belgrado en in een alternatief dorpsschooltje, werd lange tijd getolereerd. In een film die op de tentoonstelling in Wenen te zien was, zegt hij tegen zijn leerlingen: „Jullie zullen hier veel leren. Jammer genoeg zullen jullie het nooit kunnen gebruiken.” Tito stierf in 1980, terwijl Bogdanovic aan het monument bij Trstenik werkte. Het werd meteen zijn laatste.

Het is vooral de omvang van de monumenten die toch aan totalitaire regimes doet denken. Elke communistische symboliek ontbreekt. Geen rode sterren of hamers en sikkels. Nergens afbeeldingen van arbeiders met gebalde vuisten of onverschrokken soldaten. Op een heuvel aan de rand van Cacak bouwde Bogdanovic een tempelcomplex van graniet en hout, waarvan de muren zijn bedekt met meer dan zeshonderd stenen fabelmonsters. Ook hier speelt de architect met de participerende bezoeker die door het donker naar het licht moet en uiteindelijk de monsters onder de voet kan lopen. Het leven overwint de dood. Net als in Mostar, Jasenovac of Kosovska Mitrovica zijn kosten noch moeite gespaard, werden hele heuvels gereserveerd als Bogdanovic zijn schetsboek ter hand nam.

Hoe anders is dat nu, verzucht Dragana Milovanovic, vriendin en student van Bogdanovic. Ze wijst vanaf het balkon van haar antieke villa in de Servische hoofdstad Belgrado naar het onaffe plompe appartementencomplex dat in haar uitzicht wordt gebouwd. „Hoe leg je dat uit?” Ze geeft zelf nog in dezelfde adem antwoord. „Het enige wat nu telt, is geld. Alles in dit land is in een fase van deconstructie, om te beginnen de staat zelf.” Ze leerde van Bogdanovic ‘ruimte anders te beleven’, niet als iets wat je met allerlei functies moet belasten, maar als iets wat een onderbewuste reactie bij de toeschouwer moet oproepen.

In 1993 bracht de architect haar leermeester naar de trein naar Wenen. Bogdanovic, die zijn leven lang in Belgrado had gewoond, voelde zich niet veilig meer in zijn eigen stad. Het was oorlog en Slobodan Milosevic verhief alles wat Bogdanovic verafschuwde tot staatsreligie: nationalisme, etniciteit, verschillen tussen Serviërs en Kroaten, Albanezen of Bosniakken.

Bogdanovic, tussen 1982 en 1986 nog burgemeester van zijn stad, had onder Tito de status van kritische vriend van het regime, onder Milosevic werd hij een uitgesproken dissident. „Op straat werd hij agressief aangesproken door mensen die hem van televisie kenden”, vertelt Milovanovic. Op de trappen naar zijn voordeur werd ‘Bogdanovic Ustasje’ (Kroatische fascist) gekalkt, in de media werd Bogdanovic uitgemaakt voor landverrader. Hij huilde toen hij op de trein stapte, zegt Milovanovic emotioneel.

De vlucht werd hem kwalijk genomen, zeker toen hij jaren later ook zijn omvangrijke archief naar de Oostenrijkse hoofdstad bracht. In Wenen had zich inmiddels een groot deel van de vroegere Belgradose elite gevestigd. De intellectuelen vertrokken, het cliché wil dat getraumatiseerde oorlogsvluchtelingen, plattelanders, hun plaats innamen. „Alles is veranderd, ordinair geworden”, zegt Bogdanovic dan ook in een interview met een Oostenrijks architectuurblad. „Ook de taal is anders. Die is nu heel grof. Ik wil daar niet meer wonen.”

De monumenten van Bogdanovic

horen bij het Joegoslavië van voor de laatste oorlogen, bij een land dat niet meer bestaat. Voor de meerderheid van de Serviërs is het te vroeg om Bogdanovic te waarderen als kunstenaar. Hij is voor hen bovenal een communist die tijdens een schuldig regime, waarin verschillen werden toegedekt, het verleden selectief gepresenteerd heeft. Het is tekenend dat het enige museum uit Belgrado dat interesse heeft getoond in de Weense expositie, naast het graf van Tito ligt.

Bij het samensmeden van de republieken tot één land en broedervolk moest de burgeroorlog die tegelijk met de Tweede Wereldoorlog woedde zo snel mogelijk worden vergeten. Volgens de officiële leer waren Tito’s Partizanen helden, omdat ze van de fascisten hadden gewonnen. Historisch onderzoek mocht niet te duidelijk aan het licht brengen dat ook de Partizanen gruwelen begingen tegen landgenoten en dat de katholieke Kroaten zich hadden willen ontdoen van de orthodoxe Serviërs.

De beelden van Bogdanovic staan op de meest beladen plekken die denkbaar zijn. Zijn bekendste werk is de 24 meter hoge gestileerde bloem in Jasenovac, een voormalig concentratiekamp waar met name Serviërs, Roma en Joden zijn omgebracht door Kroatische collaborateurs. Het aantal slachtoffers – de schattingen liepen uiteen van 700.000 door communisten tot 30.000 door Kroatische nationalisten – staat nog altijd niet vast.

De steenoven, de doodknuppelmachine en de kampgebouwen verdwenen al snel na de oorlog van het terrein. In 1966 kwam het beeld van Bogdanovic ervoor in de plaats. Een betonnen bloem op een graf. Een pad van vermolmde spoorbielzen voert naar het open hart, een stille lichte ruimte die aan een kerk doet denken waar een kiem uit de aarde spruit. Door de openingen tussen de bladeren is de open lucht te zien. Op de plaatsen in het landschap waar zich vroeger de barakken bevonden, zijn nu kleine grasheuvels.

De kalme ‘land art’ van Bogdanovic was een deel van de nabestaanden te neutraal. Ze hadden liever een letterlijk bewijs gezien van de gruwelen die er hebben plaatsgevonden. Al die universele symbolen versluieren in hun ogen de waarheid. De eerste president van het zelfstandige Kroatië, Franjo Tudjman, had om een andere reden een hekel aan de betonnen bloem. Hij stelde in 1996 voor het voormalige concentratiekamp te verbouwen tot een monument voor alle Kroatische slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en de Vaderlandse Oorlog, de naam waarmee de strijd tegen de Serviërs in Kroatië gewoonlijk wordt aangeduid. Het plan stuitte echter op hevig protest.

Het bijbehorende museum is tijdens de strijd tussen de Serviërs en Kroaten in de jaren negentig volledig verwoest, maar de bloem stond nog en is tijdens de gevechten zelfs beschermd. Die ‘luxe’ had het herinneringspark bij de Kroatische stad Vukovar niet. De afgezaagde torenspitsen raakten zwaar beschadigd. Ook een beeldengroep van slangenparen in het Bosnische Travnik stond in de frontlinie. De ‘stad der doden’ in Mostar ligt er vergeten en verwaarloosd bij, aan de Kroatische kant van de verdeelde stad in Bosnië-Herzegovina, onder het zwerfvuil.

De herinneringsparken van Bogdanovic liggen als droeve rustpunten verspreid over de vroegere federatie. Ze lijken gemaakt om alle tijdelijke schisma’s te ontstijgen. Dertien jaar na de laatste oorlog zijn ze zowel een bewijs van het mislukken daarvan als van het moois dat Joegoslavië ook was.

Bogdan Bogdanovic. Memoria und Utopie im Tito-Jugoslawien (Wieser Verlag, Klagenfurt).