Vondst van 'De gasbel' was geen toeval

Groningen – Gasveld vijftig jaar. Kloppend hart van de Nederlandse gasvoorziening Auteur: J. Schenk (m.m.v. P. Timmer) Uitgever: Boom, Amsterdam, 2009) 224 pagina’s; 24,50 euro

Groningen – Gasveld vijftig jaar. Kloppend hart van de Nederlandse gasvoorziening Auteur: J. Schenk (m.m.v. P. Timmer) Uitgever: Boom, Amsterdam, 2009) 224 pagina’s; 24,50 euro

In de Canon van de Nederlandse Geschiedenis (2006) heet een van de vijftig vensters kort en bondig ‘De gasbel’. In de toelichting wordt verwezen naar het land van boer Boon uit Slochteren waar in 1959 een gasveld werd ontdekt. Wat nu als een van de mijlpalen en keerpunten in de vaderlandse geschiedenis wordt beschouwd, was een halve eeuw geleden een paar dagen na de feitelijke vondst slechts een klein bericht op een binnenpagina van de krant waard.

Het boorteam dat op 22 juli 1959, gisteren vijftig jaar geleden, op bijna drie kilometer diepte tijdens een exploratieboring op een gasvoorraad was gestuit, realiseerde zich toen geen moment dat het aan het begin stond van een nieuwe fase in de Nederlandse geschiedenis. Dat besef zou nog even op zich laten wachten. Pas zestien maanden later lekte uit dat de gasvoorraad bij Slochteren een grote omvang had. Victor Leemans, een Belgische senator en lid van het Europees Parlement, maakte in oktober 1960 tijdens een debat over een nieuw Europees energiebeleid terloops melding van het feit dat in Noord-Nederland een aardgasveld was ontdekt van 300 miljard kubieke meter. De Nederlandse Aardolie Maatschappij (een joint venture van Shell en Esso) speelde op safe en had er geen belang bij om allerlei indianenverhalen de wereld in te sturen.

Terwijl de NAM bezig was duidelijkheid te verkrijgen over de omvang van de reserves, de begrenzingen van het veld en de druk van het gas op drie kilometer diepte, werd de uitlating van Leemans niet ontkend, maar wel gebagatelliseerd: het zou slechts gaan om een voorraad van 60 miljard kubieke meter. Gaandeweg werd de omvang van de voorraad telkens naar boven bijgesteld: in 1974 werd de totale Nederlandse aardgasreserve al geschat op bijna 2.500 miljard kubieke meter en volgens de recentste berekeningen zou de oorspronkelijke ‘gasbel’ een omvang van 2.800 miljard kubieke meter hebben gehad. Meer dan tweederde daarvan is inmiddels verbruikt.

Joep Schenk, verbonden aan het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht, heeft in een rijk geïllustreerd boek deze betrekkelijk jonge geschiedenis beschreven. Hij heeft zich voornamelijk gebaseerd op secundaire schriftelijke bronnen en op interviews met direct betrokkenen. Desondanks is het een mooi en goed boek over de geschiedenis van een halve eeuw aardgaswinning en de consequenties daarvan.

Groningen – gasveld vijftig jaar bestaat uit vier chronologische hoofdstukken waarin telkens één thema centraal staat.

In het eerste hoofdstuk van het boek wordt de gasvoorziening in Nederland in het pre-Slochteren-tijdperk behandeld. Hierin wordt het verhaal van de toevalligheid van de vondst van aardgas bij Slochteren naar het rijk der fabelen verwezen. Al voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was bekend dat in de Nederlands-Duitse grensstreek aardolie in winbare hoeveelheden in de grond zat. Op grond van seismisch exploratieonderzoek vermoedde de NAM al voor 1950 dat in de bodem van Groningen aardgas aanwezig moest zijn.

In het tweede hoofdstuk, het meest fascinerende gedeelte van het boek, vormt de snelle opmars van het aardgas de rode draad. De auteur beschrijft beeldend welke hindernissen overwonnen moesten worden, van de aanleg van het hoofdleidingnet tot de sceptische huisvrouw die bang was dat met de aangepaste kookapparatuur de sudderlapjes tot het verleden zouden gaan behoren.

Saillant detail is dat het Amerikaanse medewerkers van Esso waren die in 1960 op het idee kwamen om zich voor de afzet van het aardgas vooral op de kleinverbruikers te richten. Shell, de andere grootaandeelhouder van de NAM, wilde zich aanvankelijk volledig richten op de grootverbruikers (zoals de industrie en de elektriciteitscentrales). Zonder Amerikaanse inbreng zou ook de ombouw van een regionaal distributiesysteem tot een nationaal gasnet en het gelijktijdig geschikt maken van huishoudelijke apparaten voor aardgas onmogelijk zijn geweest.

In het derde hoofdstuk, dat de periode 1972 tot 1989 bestrijkt, staan maatschappelijke ontwikkelingen centraal die op de keper beschouwd niet zo veel met het ‘Groningen – gasveld’ (zoals deze winplaats van aardgas consequent wordt genoemd) te maken hebben: de internationale verhoudingen die twee keer een oliecrisis tot gevolg hadden en het ontluikende milieubewustzijn (niet alleen het succesvolle streven naar energiebesparing, maar ook het verzet tegen de gasboringen in de Waddenzee).

In het hoofdstuk waarin de laatste twee decennia worden behandeld, draait het om de energiemarkt. Vrij gedetailleerd behandelt Schenk de opeenvolgende pogingen van de bewindslieden (in Den Haag en Brussel) om deze markt meer of minder te liberaliseren.

Achteraf blijkt de regeringsdeelname van de LPF aan het kabinet-Balkenende I van grote invloed te zijn geweest op de toekomstige rol van de overheid in de gasvoorziening in Nederland. Mede dankzij de politieke impasse waarin Nederland in 2002 en 2003 terechtkwam werd, zo besluit Joep Schenk zijn verhaal, „de Staat in tijden van liberalisering een gastransportbedrijf rijker, terwijl haar deelname in het handelsbedrijf ongewijzigd bleef”.

Wie na het lezen van het boek nog geen genoeg heeft van Slochteren, kan zich verder laten informeren met 150 minuten bewegend beeld op een bijgesloten dvd (voornamelijk afkomstig uit het Polygoonarchief en het NOS Journaal).

Meer achtergronden en beeldmateriaal over de gasbel op nrc.nl/slochteren