Iraanse machtscentra

De machtsstrijd in Iran wordt steeds complexer en dreigt nu ook de positie van de hoogste regionen te belasten. Het protest tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen van 12 juni openbaart al ruim een maand een breuk binnen de elite die het land sinds 1979 regeert. Een preek van ayatollah Rafsanjani, secretaris van de Raad van Experts die als enige de opperste leider zou kunnen afzetten, was het meest expliciete signaal dat het establishment in een „crisis” verkeert, zoals hijzelf zei. Rafsanjani eiste vorige week de vrijlating van de gearresteerde demonstranten. De oproep van ex-president Khatami deze week om een referendum te houden over de regering, zette het mes er nog iets dieper in.

En nu begint ook nog de coalitie tussen geestelijk leider Khamenei en president Ahmadinejad, waarin boud gezegd politiek-religieuze orthodoxie en sociaal populisme samenkomen, scheuren te vertonen. Ayatollah Khamenei heeft zijn bondgenoot Ahmadinejad opgedragen de relatief verlichte Mashaei niet te benoemen in de groep van vicepresidenten. Mashaei, vader van de schoondochter van Ahmadinejad, is in de conservatieve kringen omstreden wegens zijn wat meer zakelijke opvatting over Israël. Tot nu toe heeft de president, tot ergernis van zijn bondgenoten in het parlement, geen gehoor gegeven aan de opperste leider. Dit riekt naar politieke afvalligheid van een man die zijn positie mede aan de hoogste leider heeft te danken.

Onduidelijk is wie of wat in dit ontluikende conflict in de boezem van de regerende macht aan het langste eind zal trekken. De maatschappelijke spanningen in Iran draaien niet alleen om ideologische thema’s, zoals de dertig jaar lang getaboeïseerde vraag of Iran de machtsverhouding tot de Verenigde Staten moet rationaliseren. Ze behelzen eveneens politieke tegenstellingen binnen de oude elite en tussen de eerste en tweede generatie ‘islamitische revolutionairen’. Dat zou de onverwachte frictie tussen Khamenei en Ahmadinejad kunnen verklaren.

De strijd gaat tegelijkertijd ook over directe belangen. Zo zijn de revolutionaire garde Pasdaran en het paramilitaire vrijwilligerskorps Baseej, die met hun knokploegen reeds anderhalve maand vergeefs de straten van Teheran proberen schoon te vegen, geduchte economische blokken. De 130.000 man sterke Revolutionaire Garde bezet sleutelposities in de energiesector, zonder dat de regering en het parlement daar serieuze controle op kunnen uitoefenen. Op de zwarte markt zou de garde volgens een Iraanse volksvertegenwoordiger een jaarlijkse omzet van 10 miljard dollar draaien.

Door dit mozaïek van tegenstellingen is de politieke machtsstrijd in Iran een kluwen geworden waarin niet twee maar vele belangengroepen in wisselende coalities een rol spelen. Bovendien is er geen eenduidige symbolische macht meer die kan arbitreren ten gunste van een van de kampen. Meer geweld ligt dus mogelijk in het verschiet.

De buitenwereld staat erbij en kijkt ernaar. De toekomst van Iran wordt op dit moment in het land zelf bepaald.