Hollands tapijt

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

Maar hoe heeft u de oorlog overleefd, mevrouw Hannie?" (Foto BeeldbankWO2/ NIOD Foto: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie Antisemitisme; Borden; Duitse bezetting; Jodenvervolging; Facisme NIOD

Oorlogen komen in alle soorten en maten voor. Soms beperken ze zich tot schermutselingen in de huiskamer, en soms drenken ze een heel land in bloed. Waar ik vandaan kom, hebben ook oorlogen gewoed. Ze hebben duizenden slachtoffers gemaakt en families tegen elkaar opgezet. Zelfs jaren nadat die oorlogen voorbij waren, kon je de haat en het leed overal nog navoelen. Nederland beschouwde ik als een prachtig uitgerold tapijt met een lieftallig bloemetjesmotief. Hier leek nooit iets ergs te zijn gebeurd. Alles was in dit land perfect geregeld. De bus kwam in iedere uithoek van het land, iedereen had stromend water en de politie was onomkoopbaar. Aan de basis van een oorlog ligt altijd een conflict, maar in Nederland kende men het woord conflict niet eens.

Dacht ik.

De eerste keer dat mijn ideaalbeeld van Nederland een paar flinke deuken opliep, was in de keuken van mijn lerares Nederlands, Hannie van den Oever. Tijdens de lessen had ze de gewoonte om mij streng toe spreken: „Leer de taal, Driss. Zorg dat je van niemand afhankelijk wordt.” Haar stem trilde als ze dit zei – niet van aanmoediging, maar van woede. Waar die woede vandaan kwam, leerde ik na een les Nederlands toen Hannie mij vroeg om te blijven eten. We hadden net sliptong gegeten en zaten aan de koffie. Mijn Nederlands was na zes maanden les met sprongen vooruitgegaan. Ik kon inmiddels hele volzinnen volgen en mezelf redelijk verstaanbaar maken. Maar mijn eetgewoonten bleven Marokkaans. Met mes en vork kon ik nog steeds niet overweg. Ik at bij Hannie zoals ik altijd gegeten heb: met mijn blote handen. Hannie vond het een grappig gezicht. Tijdens de koffie bleef ze erom grinniken.

Plotseling zweeg ze en staarde uit het raam. Het was donker buiten. „Wist je dat er een tijd was dat je opgepakt kon worden, als je nu buiten liep?”

Ik fronste mijn wenkbrauwen. „Hoe bedoelt u, mevrouw Hannie?” En toen vertelde ze mij over een man die veertig jaar geleden in Duitsland aan de macht kwam, en zijn naam was Adolf Hitler, en deze Hitler begon in 1939 aan een oorlog tegen de rest van Europa, en in het bijzonder tegen de Joden, die hij massaal afslachtte, waaronder een groot deel van de familie van Hannie; haar vader, moeder, broers, zussen, ooms, neven, nichten, tantes, vrienden, zelfs haar verloofde – iedereen die ze liefhad, werd in een paar maanden tijd naar plekken gebracht waar ze nooit meer van terug zijn gekomen.

Ik hapte naar adem. Hannie beschreef een gruwel die niets van mijn idee van dit land heel liet. Onder het prachtige tapijt met bloemetjesmotief dat Nederland heette ging een bloedige narigheid schuil.

Bijna alle Joden die in Nederland hadden geleefd waren omgebracht door deze meneer Hitler. Waarom? vroeg ik mij af. In Marokko woonden ook Joden. Soms werd er wel eens slecht over ze gesproken, maar nooit kwam iemand op het idee om ze allemaal te laten verdwijnen. Hannie probeerde mij uit te leggen waarom Hitler alle Joden weg wilde hebben, maar hoe erg ze ook haar best deed, het ging er bij mij niet in. „Maar hoe heeft u de oorlog overleefd, mevrouw Hannie?” Hannie keek me aan. Haar ogen stonden droef. Haar hele familie uitgemoord – over welke onmenselijke krachten beschikte ze om zo’n verlies te dragen? Ze glimlachte.

„Dat vertel ik je nog wel, lieve Driss. Een andere keer.”