Het vergeten laat zich niet genezen

Gisteren verscheen een belangrijk artikel over het opsporen van Alzheimer.

Maar genezen, daar durft nog niemand over te praten.

(Illustratie Marike Knaapen) Knaapen, Marike

Over veertig jaar, in 2049, staan her en der in Nederlandse buitenwijken grote gebouwen leeg. Gesloten verpleeghuizen. Onnodig geworden, doordat de ziekte van Alzheimer niet meer bestaat.

„In 2049? En dan alle Alzheimer weg? Dat lijkt me te ambitieus,” reageert Marcel Olde Rikkert, hoogleraar geriatrie aan het UMC St. Radboud in Nijmegen en hoofd van het Alzheimer Centrum in die stad. Maar een kwart tot de helft minder, dat kan wel, denkt Olde Rikkert.

„Om 2049 te halen moet de Nederlandse politiek allereerst investeren in onderzoek naar Alzheimer. Niet dat ik vind dat de oplossing beslist in Nederland moet worden gevonden, maar we moeten wel meedoen.” Dat zegt Marco Blom, directeur onderzoek en beleid van Alzheimer Nederland. „De Franse president Sarkozy heeft bijvoorbeeld vorig jaar voor een periode van vijf jaar 1,6 miljard euro gereserveerd voor alzheimeronderzoek en -zorg. In Engeland en Duitsland zijn ook van die initiatieven. Maar in Nederland nog niet.”

Alzheimer is de meestvoorkomende vorm van dementie. Ongeveer 70 procent van de dementerenden heeft Alzheimer. De ziekte onderscheidt zich door kenmerkende eiwitafzettingen (plaques) van het eiwit bèta-amyloïde in de hersenen, buiten de hersencellen. Vaak zijn er ook vezelachtige structuren (tangles, van zogenaamde tau-eiwitten).

De plaques die vaak bruutweg de onderlinge zenuwcontacten doorsnijden en daarmee de geheugenfuncties verstoren, werden lange tijd als oorzaak van Alzheimer gezien. Maar het moderne idee – na veel onderzoek dat de ziekte niet de wereld uit hielp – is dat die plaques weliswaar een kenmerk van de ziekte zijn, maar misschien niet de oorzaak. Daar was wel zwaar op ingezet bij het vinden van een therapie.

Tijd voor een nieuwe aanpak. Maar welke? Dat is nu de verwarrende situatie in het alzheimeronderzoek.

„Alzheimer en de andere dementieën ontstaan door een opeenstapeling van breinschade,” zegt Olde Rikkert. „We kennen de amyloïdeschade, de tau-schade en de schade die slechte bloedvaten in de hersenen aan kunnen richten. Maar als je het ontstaan van dementie wilt voorkomen moet je bijvoorbeeld ook kijken naar de schade door informatie-overmaat en naar breinschade door slaaptekort.”

Informatie-overmaat?

„Ja,” zegt Olde Rikkert, „we krijgen veertigers op de geheugenpoli die klagen dat ze het eigenlijk niet meer aankunnen omdat ‘hun inbox bijna nooit meer leeg is’. Die invloed moet je onderzoeken, ook al omdat dementie er dertig of veertig jaar over doet om zich te ontwikkelen.”

„Duidelijk is dat je er vroeg bij moet zijn,” zegt Blom. „De ouderdom zit vol geheugenklachten. Slechts een deel van die mensen krijgt echt Alzheimer. Je moet die toekomstige patiënten vroeg kunnen onderscheiden van de mensen die normaal verouderen. En die risicopatiënten moet je vroeg behandelen, zodat de dementie zich niet ontwikkelt.”

Om mensen die later Alzheimer krijgen vroeg te herkennen, zijn biomarkers nodig. Dat zijn stoffen die in bloed of hersenvocht te meten zijn. Of het zijn beelden van veranderende hersenen die je met de MRI-machine kunt maken. Die biomarkers zijn er nog niet, hoewel gisteren een belangrijke publicatie verscheen in het Journal of the American Medical Association, van Europese alzheimeronderzoekers, waaronder uit Nederland, waarin bruikbare biochemische biomarkers worden genoemd.

„Toch is het uitbannen van Alzheimer nog zo ver weg, dat we het niet als een reële ambitie formuleren,” aldus Blom van Alzheimer Nederland.

Ook onderzoekers en farmaceutische industrieën piekeren er nog niet over om Alzheimer de wereld uit te praten. De woorden genezende behandeling vallen niet. Favoriete term is disease-modifying treatments – ziekteveranderende behandelingen. De zoektocht naar medicijnen heeft de afgelopen jaren tegenslag gekend. En wie over 40 jaar een goed medicijn wil hebben, moet nu aan de slag met wetenschappelijk onderzoek.

Je kunt Alzheimer ook zelf te lijf, maar wacht er niet mee tot je oud bent. Olde Rikkert: „De reductie van Alzheimer in 2049 zal voor een groot deel uit preventie moeten komen.”

Dat betekent leefstijlverandering. Het kan door gezond te leven. Niet roken, niet dik worden, geen suikerziekte krijgen, je bloeddruk en cholesterol op normaal peil houden, regelmatig lichaamsbeweging en je hersenen aan het werk te houden.

En wat het verdwijnen van Alzheimer oplevert? Anderhalf jaar levensverlenging voor vrouwen van 65, en drie zieke levensjaren minder. Bij mannen is het effect wat kleiner.

Dat effect stelt misschien teleur, maar wie bij ouderen een ziekte uitbant kan ervan verzekerd zijn dat kort daarna de volgende kwaal alweer op de stoep staat. Dat is de vervangende ziekte. Wie geen Alzheimer krijgt, loopt al snel tegen kanker, hartziekte, longziekte, of – voor de hele oudjes – fragiliteit aan.

De politiek denkt bij minder alzheimerpatiënten aan bezuinigingen op verpleeghuizen en de vele handen die dan aan de overblijvende bedden beschikbaar zijn. Olde Rikkert wijst erop dat dementerenden 80 procent van hun levensjaren thuis wonen. Meestal toevertrouwd aan familieleden, dus aan mantelzorgers die nu vaak overbelast raken door de zorg voor een dementerende: „Voor de mantelzorgers is de winst enorm.”

„Maar de echte motivatie om iets aan Alzheimer te doen,” besluit Olde Rikkert, „is toch de brainpower van ouderen die dan in de maatschappij beschikbaar komt. En het maakt nogal uit of je je bij het ouder worden kunt verheugen op een lucide oude dag. Het gaat erom of je de ouderdom kunt zien als een kale woestijn of als een aantrekkelijke oase.”

Lees een eerder verhaal over Nederland in de toekomst (onderwerp: het wk voetbal in 2018) via nrcnext.nl/links