Geen uitkering voor Turkse weduwe

De manier waarop Nederland in 2000 de ‘export’ van socialezekerheidsuitkeringen aan banden heeft gelegd, is juridisch toegestaan. In hoogste instantie heeft de Hoge Raad dat onlangs bevestigd.

De uitspraak is het slot van bijna een decennium juridische strijd. De zaak was aangezwengeld door de weduwe van een Turkse man die vroeger in Nederland heeft gewerkt. Op grond hiervan wilde de in Turkije wonende vrouw een uitkering van de Algemene Nabestaandenwet. De man had tot 2000 in Nederland premies betaald.

Eind vorige eeuw ontstond politieke opschudding over sociale uitkeringen die Turken en Marokkanen die in Nederland hadden gewoond, naar hun geboorteland kregen overgemaakt. Daarop heeft Nederland per 1 januari 2000 de regels aangescherpt. Geen verplichting om premie te betalen, maar ook geen recht op een uitkering.

Dat pakte nadelig uit voor een Turks gezin waarvan de vader tot 1984 in Nederland had gewerkt. Hij was teruggegaan naar Turkije met een WAO-uitkering. Daarvan leefde hij met zijn vrouw in een dorp waar hij in 2001 op 53-jarige leeftijd overleed. Toen de WAO-uitkering stopte kwam de weduwe in financiële problemen.

Zij wilde dat Nederland haar tot haar 65ste een weduwe-uitkering toekent. Inwoners van Nederland hebben daar ook recht op. Volgens de vrouw is het discriminerend dat dit niet zo is omdat ze in Turkije woont. Met steun van medewerkers van het Turkse consulaat procedeerde ze tot de Hoge Raad voor zo’n nabestaandenuitkering.

De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat de Nederlandse regering het recht had de ‘export’ van uitkeringen aan banden te leggen.

De man had indertijd het aanbod gekregen de nabestaandenverzekering op vrijwillige basis voort te zetten. Die brief is nooit in het Turkse dorp aangekomen. De vrouw rekende dat de Nederlandse autoriteiten aan. Dat argument telde voor de Hoge Raad niet, evenmin als het verwijt dat Nederland met deze handelwijze mensenrechten schendt.