Duizend euro is in een casino helemaal niets

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 13: Marcel van Roosmalen gaat naar het casino. Om te winnen.

(Foto David Galjaard en Christian van der Kooy) Galjaard, David;kooy, christian van der

We – een goede vriend en ik – leerden Ruud kennen in speelhal Fair Play bij het Rembrandtplein.

Ruud was een man van een jaar of vijftig met bruine vingers van het roken. In zijn gebit ontbrak het een en ander.

We speelden roulette op een automaat.

Voor mijn neus stond een plastic bak met muntstukken van 2 euro. Op de bak stonden teksten als 'Viel Gluck’ en ‘Bon Chance’.

Dat hadden we niet.

De getallen die moesten vallen, vielen niet.

Ik vloekte.

Waar waren we mee bezig?

En toen begon Ruud, die we helemaal niet kenden, commentaar te geven.

„Nooit op 2 zetten, dat valt nooit.”

„Zonde van het geld.”

„Ik zei het toch...”

Dat soort dingen.

Ruud adviseerde ons om te stoppen met gokken.

We moesten gaan pokeren.

Niet zelf.

Nee, we moesten hem inhuren.

Wij het geld, hij de kennis.

Winst gegarandeerd.

Hij schreef zijn telefoonnummer op een briefje.

„Hoi, jongens!”, riep Ruud.

Hij stond op en zwaaide naar ons, toen we het Lido-restaurant van Holland Casino binnen kwamen.

Ruud had een servet om zijn nek gebonden.

„Ik heb maar vast besteld”, zei Ruud. „Niets duurs hoor. Gewoon een entrecootje.”

Ik bestelde een biertje, mijn vriend een cola en Ruud had nog plaats voor een toetje.

„Crème caramel”, zei Ruud tegen de ober.

Ruud deed zenuwachtig.

Hij lepelde snel van zijn crème caramel.

Hij had lange nagels met zwarte randjes en in zijn pak zaten kleine brandgaatjes, vanwege het roken.

Hij fluisterde dat alles wat hij ging zeggen geheim was.

„Laat jullie geld maar eens zien”, zei hij.

We legden allebei 500 euro op tafel.

Ruud legde er snel een servet op.

„Overal hangen camera’s”, legde hij uit. „Niemand mag dit zien. Als ze weten dat ik twee jongens in opleiding heb, mag ik hier niet meer komen. Ik win te veel.”

Hij wist niet of het genoeg geld was.

„Ik vind het veel geld”, zei ik.

Nou, dat was een groot misverstand.

Ruud legde uit dat duizend euro in een casino helemaal niets was.

We spraken af dat Ruud met ons geld mocht pokeren en dat hij na afloop een derde van de winst mocht houden. Als hij verloor, waren we ons geld kwijt.

Maar dat, zei Ruud, kwam bijna nooit voor.

„Ik heb alleen maar tevreden studenten.”

Verder vond Ruud het niet prettig als we in z’n buurt rond hingen.

Dat liep in de gaten.

„Wissel elkaar maar af.”

Toen we zijn eten hadden betaald, ging Ruud aan het werk.

„Was het eten lekker, Ruud?”, vroeg ik.

Ruud nam plaats aan een pokertafel in de kelder.

De minimuminzet was 2 euro.

„We beginnen klein”, kondigde hij aan.

Na twee uur spelen kwam hij even een sigaret roken.

Hij zei trots: „Ik heb nog even veel geld als toen ik begon.”

Mijn vriend had rondjes gelopen door het casino en kwam me aflossen bij de ‘pokerpit’.

„Veel plezier”, zei ik. „Je kunt het van een afstandje zien. Hij zit daar. Het is behoorlijk saai. Hij heeft nog niets gewonnen en niets verloren.”

„Ga maar rondjes lopen”, zei mijn vriend. „Als het zo doorgaat, ontslaan we hem gewoon.”

Ik ging bier drinken in de Jackpotclub.

Mijn telefoon ging.

„Dat mag niet”, zei een ober. „Bellen is hier verboden.”

„Wat moet ik dan doen?”, vroeg ik.

„Gokken”, zei hij.

De telefoon ging weer.

Het was mijn vriend.

„Kom snel naar de blackjacktafels”, commandeerde hij. „Ruud is wat grover gaan spelen en heeft alles verloren. Ik heb hem nog 1000 euro gegeven en nu zit hij te blackjacken.”

„Waarom?”, vroeg ik. „Je had hem beter kunnen ontslaan. We kunnen zelf ook wel blackjacken.”

Aan de blackjacktafel bestelde Ruud een Martini met ijs bij een serveerster.

Hij gaf haar een fiche van 5 euro als fooi.

„Dank je wel!”, zei het meisje en ze lachte van oor tot oor.

„Graag gedaan”, zei ik cynisch.

„Gelukkig, je bent er weer”, fluisterde Ruud. „Jouw collega-student heeft weinig geduld. Jij begrijpt me, denk ik, beter...”

Ruud schoof tien fiches van 10 euro naar voren.

Dat was wat veel.

Hij had blackjack.

„Ha, een blackendekker”, zei hij. „Nu gaat het goed.”

Toen zijn glas leeg was, kreeg Ruud weer dorst.

„Doe maar een Martini”, zei hij tegen mij. „En neem zelf ook wat.”

„Dank je Ruud”, zei ik. „Fijn dat we wat mogen drinken.”

„Is hij jullie meester?”, vroeg een dikke Surinamer, die ook aan de blackjacktafel zat.

„Ja”, zei ik. „Hij heet Ruud en denkt alleen maar aan zichzelf.”

„Weet je?”, zei de Surinamer, „Als je een slechte meester hebt, moet je hem gewoon kapotschieten. Zeg maar, als je dat wilt.”

Over die zin heb ik heel lang nagedacht.

Uren later, hij was weer gaan pokeren, stond Ruud eindelijk op winst.

„Stoppen”, zeiden wij.

Ruud speelde gewoon door.

We waren – zoals te verwachten viel – iedere controle kwijt.

Toen het casino sloot, verdeelde Ruud het geld.

We hadden alledrie 300 euro verdiend.

„Het is niet veel”, zei Ruud. „Ik wil nog even doorspelen.”

„Ruud, het casino gaat dicht”, zei ik. „We kunnen niet meer doorspelen.”

Ruud wist nog wel wat plekjes.

In Amsterdam-Noord was een café.

Zo gek waren we niet.

We brachten Ruud naar zijn huis in Amsterdam-West.

„Tuut-tuut-tuut, groetjes van Ruud”, zei hij toen hij uitstapte.

We keken hem na en zagen dat hij in de portiek van een galerijflat zijn geld telde.

    • Marcel van Roosmalen