Voor een camera hoef je echt niet meteen te gaan praten

Redacteur Judith Spiegel van nrc.next volgde zelf een mediatraining.

Mijn armen gaan bij de tweede zin de lucht in, als die van een dirigent of dominee.

Nietsvermoedend loop ik het zaaltje binnen. Voor mij staat de boomlange mediatrainer Vries Strookman. De camera draait en hij duwt een microfoon onder mijn neus: „Hoe gaat het nou, bij de krant, in deze moeilijke tijden van nieuwe media als bloggers en twitteraars?”

„Het gaat heel goed bij de krant”, zeg ik. En herhaal vervolgens nog maar eens zijn vraag. Ik probeer koortsachtig een antwoord te bedenken. Ik heb mijn handen in mijn zij gezet. „Bloggers en twitteraars zijn geen bedreiging, maar een nuttige informatiebron.”

We kijken het interview terug. Er ging van alles fout. Om te beginnen: ik kijk te veel omhoog. Strookman is bijna een halve meter langer dan ik, dus hoe voorkom je dat?

Co-trainster Anja Verheij: „Creëer de setting zoals je hem hebben wilt. Is de achtergrond goed? Sta je hoog genoeg? Je hoeft echt niet meteen te beginnen met praten. Zo heb je ook tijd om na te denken wat je wil zeggen.”

En dan de inhoud, die kon ook beter. „Herhaal nooit de woorden van de interviewer. Dan maak je zijn verhaal tot jouw verhaal en dat wil je niet.” Ik wilde praten over twitteraars en bloggers als extra oren en ogen in de samenleving. Dat deed ik ook wel, maar te laat. In het echt waren de camera’s dan alweer weggeweest. Verheij: „Het duurde te lang tot je met je kernboodschap kwam.”

Ik word nu alleen gelaten in het zaaltje en krijg vijf minuten om mijn kernboodschap te formuleren. In zeven zinnen, dertig seconden.

De camera gaat weer aan. „Kijk, natuurlijk is de toename van weblogs en Twitter iets waar je als krant rekening mee houdt. Wij zien dat als voelsprieten. Het vertelt ons wat mensen interesseert, en wat ze al weten. Wij kunnen daardoor nog betere, duidende stukken schrijven. Dat blijft de toegevoegde waarde van een krant.”

Poging twee ging al beter. Maar dit keer gaan mijn armen bij de tweede zin de lucht in, als die van een dirigent of een dominee. „Dat leidt af”, zegt Anja Verheij. „Net als oorbellen of felgelakte nagels.”

De camera gaat nog één keer aan. Het is nu vooral zaak mijn armen te bedwingen. Dat lukt nog niet helemaal, maar het is al „functioneler”. Mijn voeten staan nu wel goed. In de aarde geplant, licht door de knieën. Ik krijg nog een laatste goede raad: „Zet af en toe een punt, praat niet alleen in komma’s.”

    • Judith Spiegel