'Kijk hier eens', klinkt uit het struikgewas

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 12: Olga van Ditzhuijzen op pad met de daklozenopvang van Amsterdam.

(Foto David Galjaard en Christian van der Kooy) Galjaard, David;kooy, christian van der

„Goedenavond”, roept Rimke van der Vegt naar een struik. Voorzichtig worstelen we ons door de distels en dichte rododendrons heen. Dit zou wel eens de woning kunnen zijn van Rimke’s cliënt. Hee kijk, hier is het gras platgetrapt.

Rimke is psychiatrisch verpleegkundige voor het Team Bemoeizorg. Dat is een onderdeel van Mentrum, het Amsterdamse instituut voor geestelijke gezondheidszorg. Samen met Saskia Bolier, die werkt voor HVO (Hulp voor Onbehuisden) Querido gaat ze regelmatig maandagavond op pad om cliënten (daklozen) op te sporen die al een tijdje van de radar zijn.

Er is een mooie term voor deze mensen die al dan niet vrijwillig kamperen in struiken, bosjes of verlaten industrieterreinen aan de rand van de stad: ‘zorgwekkende zorgmijders’.

De cliënt heeft zijn pied-à-terre in een parkje in Amsterdam-Noord. „Hij wil nog wel eens een fikkie stoken”, zegt Rimke. We letten op barbecueplekken. Saskia struint door de bosjes, wij nemen een bruggetje.

„Kijk hier eens”, klinkt uit het struikgewas.

We kijken omhoog, naar de boom die Saskia aanwijst. Op de stam zijn kriskras houten plankjes getimmerd. Samen vormen ze een laddertje naar een boomhut van losse planken. Een uitkijkpost.

We vechten ons de struiken in. „Hoei, dat jurkje had ik niet aan moeten doen”, lacht Rimke. Een paar meter achter de boom is de werkelijke stek van de meneer, een soort prieeltje van bomen die begroeid zijn met klimop. Op een stuk zeil ligt een fiets naast een vochtige matras.

„Goedenavond?” probeert Rimke opnieuw.

Hij is niet thuis.

Wat als we hem hadden gevonden? „Nou, dan vragen we voorzichtig hoe het met hem gaat”, zegt Rimke. „We proberen hem te verleiden om misschien een keertje te komen slapen in de opvang, om ook eens in een droog, warm bed te slapen of om een douche te nemen.”

Het doel is volgens Mentrum „de kwaliteit van leven te verbeteren”. Tussenliggend doel is een uitkering en een woning organiseren. Maar het kan zomaar jaren duren voordat iemand daarop ingaat.

We stappen weer in de auto. De achterbank is bekleed met plastic, voor het geval een cliënt mee wil rijden.

„Het zijn wel heel sterke mensen”, zegt Rimke, „je kunt je afvragen of wij zo’n bestaan lang zouden volhouden.”

Neem nou Saskia, een 60-jarige dame die al vijftien jaar kampeert in de stad. Ze draagt een beige mannenbroek en een ouderwets ogend ruitjeshemd, onder haar platte pet pieken lichtbruine lokken.

Sinds drie jaar woont Saskia op het terrein van een voormalige vuilverbranding, samen met Ruud, in een zelfgeknutseld kamp onder de bramenstruiken. De entree is een gat in het hek. Geen van beiden heeft een uitkering. „Ik heb helemaal geen tijd om dat uit te geven”, zegt Saskia. Ze zou het liefst haar eigen brood verdienen en dan iets terug doen voor de maatschappij: „Voor vrede vechten.”

Onder een beschutting van planten, houten pallets en tentzeil liggen dekens en een matras. Weggestopt als een muizenholletje.

Drie katten liggen in het lange gras, op een open plek staat een bureautje met een stoel. „Daar studeer ik”, zegt Saskia. Ze is opgegroeid in Amsterdam-zuid. In een vorig leven was ze tropenarts. Nu verdiept ze zich in literatuur over naoorlogse politiek en leest ze graag Hugo Claus. In een getimmerd kistje bewaart ze haar gevonden boeken.

Een geïmproviseerd houtkacheltje vormt het fornuis, aangemaakt met stukken tafelpoot. Water voor koffie komt uit een zwartgeblakerde ketel, uit slingerende supermarkttassen puilen boodschappen van de voedselbank. „Pluk je wel eens bramen hier, of gaat dat niet door de asbest?”, vraagt Rimke. „Nee hoor, dat gaat prima”, zegt Saskia, „ik maak vaak bramensap.”

De wilde natuur, de zon die zakt in het IJ. Een ouwe deken, een keteltje koffie, zelfgemaakt bramensap... „Kom in de winter maar eens kijken”, helpt Rimke me uit de droom, „dan moeten we ons een weg banen door de ijspegels.”

We geven Saskia een lift naar de NDSM-werf, daar komt straks de soepbus. Rimke probeert te vissen: „Zou je nooit in de stad willen wonen?”

„Nou, nee, zo boven een café wonen, dat is, tja... Misschien bij de markt...”, aarzelt ze, „maar dat is weer zo druk...”

„Als de markt dicht gaat is het héél stil hoor” vleit Rimke.

Maar nee, Saskia heeft voorlopig geen trek in een echt huis. We zetten haar af bij ene meneer Oomen, die ook zit te wachten op de soepbus, en zetten koers naar de A4.

Onder een parkeerdek bij Schiphol is de hangplek van taxichauffeurs: tientallen Mercedessen en Audi’s staan hier geparkeerd, ernaast drinken de chauffeurs koffie op meegebrachte rieten stoeltjes, voetballen ze op het grasveldje of doen kaartspelletjes op de deksel van een vuilnisbak.

„Als je een klein, Hindoestaans mannetje ziet...” zegt Rimke. Eh, ja? „Nee, eentje die geen chauffeur is: mager, zonder tanden. Met een emmertje sop in zijn hand. Dan is het ook een cliënt van mij.”

Deze vaste bewoner van de luchthaven heeft de apenrots van de taxichauffeurs uitgekozen als thuishaven. Hij mag van de marechaussee niet meer rondhangen in de vertrekhal. Daar zat hij altijd, dagenlang, te wachten tot zijn vliegtuig kwam.

Hij denkt dat hij piloot is.

Om de week zoekt Rimke hem even op. „Hij is net weg”, zeggen twee chauffeurs op de stoep. Vanaf hun stoelen hebben ze een mooi overzicht op de taxiroedel.

„Wat gaat er eigenlijk gebeuren met die man? ’t Is een gebed zonder end”, zegt de oudste van de twee.

„Jullie zorgen toch goed voor hem?” zegt Rimke.

Het tweetal knikt. Ja, dat is waar.

De chauffeurs geven hem koffie, soep en broodjes. Soms een broek, als de zijne versleten is, of een paar schoenen.

„Hij komt niks tekort. Elke dag warm eten, slapen doet hij in de koffieruimte”, zegt de andere chauffeur, met weelderig krullend haar als een Chippendale-stripper.

„...een hele lieve man. We hadden ook wel eens een Marokkaans vrouwtje...” „...ja, die was vervelend, die ging bedelen....”

„...die sliep ook wel hiero...”

„...kwam ze ’s avonds binnen, deed ze het licht uit: ‘Ik ga nu slapen’!”

Woehahaha, buldert het duo.

Maar deze man is een schat, zeggen de twee. „Er steekt geen kwaad in.” Voor een vast bedrag poetst hij de velgen en van dat inkomen haalt-ie dan drugs. Dat is-ie nu ook aan het doen. Met de trein naar de Bijlmer, even een bolletje halen. Straks komt-ie terug.

„Op dit tijdstip is hij er nooit, hoor. Dan zet-ie z’n emmertje sop op de stoep, klokt-ie zichzelf uit en gaat hij pleite.” Geschater.

Rimke lacht mee. Toch had ze hem graag even willen zien: hij woont al 20 jaar in Nederland maar is opeens illegaal. Hij heeft zijn verblijfsvergunning niet op tijd verlengd. Nu moet er een hoop geregeld worden. „Ken hij dan niet een generaal pardon krijgen?”, oppert de Chippendale-chauffeur. „Hij is toch door omstándigheden in die situatie gekomen?” Klopt. Maar nu kunnen we even niks, dus terug naar de stad. Volgende keer beter. De taxichauffeurs blijven verontwaardigd achter.