'We moeten andere geloven respecteren'

De kandidatuur van Farouk Hosni voor de hoogste baan bij Unesco loopt gevaar door een anti-Israëlische opmerking. Toch ziet hij zichzelf als liberale Arabier.

Egyptische minister van Cultuur, Farouk Hosni, (Foto AP) FILE- In this Monday, April 6, 2009 file photo, Egyptian culture minister Farouk Hosni, opens an Exhibition of antiquities were found by Spanish expedition teams at the Egyptian museum in Cairo, Egypt. Egypt is pushing hard to get its culture minister named as the head of the U.N. agency promoting cultural diversity. But as Farouk Hosni heads to Paris Wednesday to campaign for his job, he has to overcome controversy over his comments vowing to burn any Israeli books in Egypt's famed Library of Alexandria. (AP Photo/Amr Nabil, File) AP

Het is hoog tijd dat een Arabische moslim baas wordt van Unesco, het invloedrijke cultuuragentschap van de Verenigde Naties. Dat vindt althans de Egyptische minister van Cultuur, Farouk Hosni, die zichzelf kandidaat heeft gesteld voor de positie die in oktober vrijkomt. Het zou voor het eerst zijn.

Al ruim een jaar lobbiet Egypte – zelfverklaard moeder van de wereldbeschaving – voor Hosni’s benoeming. Maar een opmerking over het verbranden van Israëlische boeken dreigt hem noodlottig te worden. „Het is zonde”, zegt hij tijdens een interview met deze krant, „want ik ben de enige liberale Arabier die als voorbeeld kan dienen.”

Het was een dodelijke „slip of the tongue”, zoals hij het zelf noemt. Op de trappen van het parlement werd hij een jaar geleden uitgedaagd door een volksvertegenwoordiger van de fundamentalistische Moslimbroederschap, Egyptes grootste oppositiegroep, die beweerde dat er Israëlische boeken in Egyptische bibliotheken zijn. Hosni zei die boeken eigenhandig te zullen verbranden als dat waar was. Een oplettende journalist deed verslag in de krant. Sindsdien moet de minister zich in allerlei bochten wringen om zijn campagne te redden.

„Het was ongelukkig uitgedrukt, maar ik heb het natuurlijk niet letterlijk bedoeld”, zegt hij tijdens een ontmoeting in zijn stijlvolle villa aan de Nijl die dienst doet als zijn hoofdkwartier. In een persverklaring had hij zijn verontschuldigingen al aangeboden. Maar hij beklaagt zich over een Israëlische haatcampagne die hem blijft achtervolgen. „Natuurlijk is het een gevaar voor mijn kandidatuur, want ze blijven het maar oprakelen.”

Formeel zegt de Israëlische regering geen bezwaar meer te maken tegen Hosni’s kandidatuur. Dat was nadat de Egyptische president Hosni Mubarak en de Israëlische premier Benjamin Netanyahu elkaar twee maanden geleden onder vier ogen spraken. Maar dat weerhoudt Israëlische en joodse belangengroepen er niet van Hosni te bestrijden. „Overal waar ik kom steekt het incident de kop op. In elke hoofdstad moet ik mezelf verantwoorden.”

„Ik ben niet antisemitisch”, zegt hij nadrukkelijk. Hij was immers degene die besloot de resterende synagogen in Egypte te renoveren ondanks publiek verzet. Ook is hij voorstander van de vrede die Egypte in 1979 met Israël sloot. „Maar dat wil niet zeggen dat Egypte de betrekkingen met Israël moet normaliseren”, voegt hij toe. „Daarvoor is de tijd niet rijp zolang onze Palestijnse broeders wegkwijnen en geen eigen staat hebben.”

Ondanks vergaande economische en politieke samenwerking tussen Egypte en Israël, is culturele toenadering altijd door Kairo geblokkeerd. Israëlische films worden bijvoorbeeld geboycot en Egyptische acteurs die met Israëliërs samenwerken worden door de artiestenvakbond geroyeerd. Het is dit beleid waarvoor Israël hem probeert te straffen, vermoedt Hosni.

Hij voelt zich onbegrepen. „Veel landen zullen het nog betreuren als Israël erin slaagt mijn kansen te verwoesten”, zegt hij peinzend. „Ze lopen een unieke kans mis om de enige liberale Arabier aan het hoofd van Unesco te krijgen.”

Veel liever zou Hosni als verdediger van de artistieke vrijheid beoordeeld willen worden, iets wat hem in eigen land zelden in dank wordt afgenomen. Hij beschrijft zichzelf als barrière tegen de golf van islamitisch fundamentalisme die Egypte overspoelt. „Er is hier een cultuuroorlog gaande”, zegt de minister die al 22 jaar dezelfde post bekleedt en daarom bekendstaat als een van de dinosaurussen in het Mubarak-regime. „Sommige islamitische sjeiks zijn onwetend, maar voeren wel het hoogste woord. Ik probeer verzet te plegen tegen deze pseudomoslims, mensen die beweren de waarheid over de islam in pacht te hebben.”

Lachend: „Daarom maak ik er een gewoonte van de fundamentalisten zo nu en dan te shockeren.” Berucht werd hij in 2006 om zijn uitspraak over de hoofddoek. „Achterlijk”, noemde hij de trend onder vrouwen om het haar te bedekken. Niet alleen islamitische scherpslijpers, maar ook politici van de regeringspartij reageerden woedend. Even leek het dat hij moest aftreden, ware het niet dat hij werd gesteund door Suzanne Mubarak, de presidentsvrouw, die evenmin waardering kan opbrengen voor de hoofddoek.

Onlangs veroorzaakte hij weer veel ophef door te pleiten voor acceptatie van andere geloofsovertuigingen. Het christendom en jodendom verdienen ook respect, had hij verkondigd. Parlementariërs van de Moslimbroederschap waren witheet en dreigden Hosni wegens godslastering voor het gerecht te slepen. Hij blijft er koel onder: „Het is een kwestie van beschaving. We moeten andere geloven respecteren als we in onszelf willen geloven.”

Deze maand was Hosni opnieuw doelwit van Moslimbroeders. Zijn ministerie had een prijs uitgeloofd aan de seculiere intellectueel Sayed al-Qimni. Diens ketterse boeken moeten juist verboden worden, was de boze reactie. Het was niet de eerste keer dat Hosni een boek moest verdedigen. Zoals toen de vooraanstaande islamitische leerinstelling Al-Azhar de roman Feestmaal voor Zeewier van de Syriër Haydar wilde verbieden. „Ze riepen om mijn bloed, maar ik heb gewonnen”, zegt hij triomfantelijk. „Ik ben het misschien niet eens met de inhoud van een boek, maar het gaat mij om de vrijheid van meningsuiting.”

Dat wil niet zeggen dat hij principieel tegen de in Egypte zeer ijverige religieuze censuur is. Hij steunt het door Kairo gelanceerde initiatief om godslastering in VN-verband strafbaar te maken. „Het belasteren van iemands geloofsovertuiging is smaad tegen het diepste bewustzijn van dat individu”, zegt hij. Op de vraag wie aan de hand van welke criteria bepaalt wanneer sprake is van belediging, wil hij niet concreet ingaan: „Ik heb Al-Azhar vele malen hierover bestreden en aan het eind komt de waarheid altijd naar boven.”

Maar deze discussie doet voor Hosni niet ter zake. Zolang hij niet genoeg landen kan overtuigen dat zijn „verspreking” over boekverbrandingen „onschuldig” was, is zijn benoeming tot directeur-generaal van Unesco gedoemd te mislukken. Vooralsnog is hij alleen zeker van de Arabische en Afrikaanse stemmen. De Egyptische diplomatie draait overuren, want zijn nederlaag zou gezien worden als een zege voor Israël. Vooral in de eigen regio zou Kairo ernstig gezichtsverlies lijden.

In een uiterste poging het Israëlisch verzet te breken, zoekt Hosni toenadering tot Israëlische kunstenaars, artiesten en intellectuelen. Zo nodigde hij de joodse dirigent Barenboim uit voor een uitvoering in de opera van Kairo en ging hij akkoord met de publicatie van Arabische vertalingen van romans van de Israëlische schrijvers Amos Oz en David Grossman. Het wordt hem niet in dank afgenomen. Egyptische media beschuldigen hem voor eigen gewin door het stof te gaan ten koste van de nationale eer. In Israëlische media wordt hij schijnheilig genoemd.

    • Alexander Weissink