'We hebben het goed samen'

Fietsen is voor Dirk Jan Roeleven een correctie op zijn jachtige bestaan. Hoewel hij het liefst niet alleen fietst, schreef hij wel een boek over een solotocht.

Dirk Jan Roeleven, een fervent liefhebber van 'slow biking'. (Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold) amsterdam dirk jan roeleven foto rien zilvold Zilvold, Rien

Dirk Jan Roeleven pakt zijn racefiets uit zijn auto, op een parkeerplaats in het mediapark in Hilversum waar hij werkt. „Een soort asielzoeker”, zegt Roeleven. „Hij hoort hier eigenlijk niet. Ik denk vaak: ‘Wat doe ik hem aan: rijden over de vlakke asfaltjungle van Nederland.’ Is in feite niks voor hem. Daarvoor heeft hij te veel temperament. Hij hoort te klimmen.” De asielzoeker is een Cucchietti. Doopnaam: rossonero. Kleur: Ferrari-rood. Afkomstig uit Noord-Italië. Gezien in 1994, besteld in 2005, gekocht in 2006.

Na een verblijf van drie jaar in Nederland gaat de Cucchietti deze zomer weer even terug naar zijn plaats van herkomst: Villar San Constanzo, een gehucht in Piemonte. Voor groot onderhoud. „Ik weet zeker dat de fietsenmaker het leuk vindt om hem weer te zien”, zegt Roeleven. „Kan hij er meteen mee aan de slag. Er zitten wat schrammetjes op die moeten worden weggewerkt.” Hij wijst naar een kale plek op het frame. Toen hij de fiets in 2006 kocht was hij volbloed Italiaans, frame zowel als onderdelen, van het zadel tot en met de derailleur. Maar nu constateert Roeleven tot zijn afgrijzen dat de nieuwe achterband van Duitse makelij is. „Dat kan niet. Die band moet hij meteen vervangen.”

De fietsenmaker in Italië is Giorgio Cucchietti wiens vader, oud-coureur Gian Paolo Cucchietti, de firma oprichtte. Roeleven raakte er bij toeval verzeild, toen hij tijdens een vakantie in 1994 pech kreeg met zijn toenmalige fiets. Alles aan de zaak beviel hem: locatie, sfeer, behandeling; de fietsreparatie was gratis. Hij besloot ter plekke ooit een nieuw exemplaar bij het familiebedrijf Cucchieti te kopen. Twaalf jaar later was het zo ver: Roeleven kocht zijn rossonero en fietste ermee naar huis. „Gewoon Italië-Nederland op een nieuwe fiets. Twee weken van huis. Duizenden gingen mij voor. Waarschijnlijk met dezelfde doelen. Lekker fietsen. Beetje klimmen. Beetje dalen. Beetje trappen. Beetje kijken. Beetje denken. Beetje wijzer worden.”

Hij schreef een boek over zijn tocht, De Nieuwe Fiets. Het kreeg lovende recensies en werd in korte tijd twee keer herdrukt. Publieke erkenning volgde; Roeleven is populair, moet deze zomer regelmatig opdraven. Als hij zijn fiets weer achterin de auto heeft gelegd rijdt hij snel naar Rotterdam, voor een optreden met journalist en wielerkenner Wilfried de Jong. Een week later is hij in Maastricht, voor een lezing met staatssecretaris van buitenlandse zaken Frans Timmermans, die enthousiast is over zijn boek. Vanavond is Roeleven te gast in De Avondetappe, de talkshow van Mart Smeets in de schaduw van de Tour. De Cucchietti gaat soms mee in de auto, om aan het publiek te laten zien. „Daar voel ik mij lekker bij, ook al ligt hij niet naast mij. Soms, als het verkeer het toelaat, kijk ik achterom. Dan denk ik: ‘We hebben het toch maar goed samen’.’’

Roeleven (48) is eindredacteur van het programma Andere Tijden Sport. Hij werkt daarnaast als programmamaker mee aan de nieuwe tv-serie over de Tweede Wereldoorlog, die in de herfst wordt uitgezonden. Fietsen is voor hem een correctie op zijn jachtige bestaan. „Ik leef ontzettend speedy. Wat ik op een dag doe is gekmakend. Ik ben verslaafd aan e-mails, sms me suf. ’s Ochtends het bed uit,meteen inloggen en tikken. ’s Avonds pas afsluiten voor ik het bed induik, als laatste handeling. Tussendoor overleg, interviews, archiefbeelden bekijken, monteren. Op de fiets is het rustig, kan ik nadenken. Nee, ik rijd niet alleen. Liever niet zelfs. Als het weer het toelaat spreek ik twee keer per week in Amsterdam af met een collega. Fietsen we samen naar Hilversum en terug, een tocht van ongeveer 60 kilometer. Dat zijn net vergaderingen, op de fiets. We evalueren de uitzendingen, doen inspiratie op voor het volgend seizoen. Letterlijk waait dan de geest. Ik wil voorstellen om in de aanloop naar de volgende serie voor Andere Tijden Sport anderhalf uur op de fiets te stappen met de redactie. Een fietsvergadering. Komen we geheid met pasklare verhalen thuis.”

Sinds midden jaren tachtig trekt hij eropuit voor fietsvakanties, soms alleen, vaak met vrienden. Naar Italië, de Vogezen, Zuid-Spanje, Slovenië. „De mooiste weken van het jaar; weg met de fiets. Heb ik maar drie zorgen: elke avond een bed, de fiets mag niet kapot én niet worden gestolen. Dat laatste is mij overkomen op Ibiza. Een nachtmerrie.”

Hij fietst niet om prestaties te leveren, is een verklaard liefhebber van ‘slow biking’. Maar dat staat het beklimmen van fameuze cols niet in de weg. Deze zomer gaat hij de Mont Ventoux op, voor de negende keer. „De eerste beklimming was in 1986. Ik was midden twintig, wist niet wat me te wachten stond. Wat ik allemaal beleefde was zó diep. Ik kwam huilend boven. Had onderweg aan mijn vader gedacht, die negen jaar eerder was gestorven: ‘Kijk eens, Theo, goed hè.’ Alsof ik zijn steun opriep om boven te komen. Ik kwam in een bepaalde trance, het was bezwerend.” Het gaf hem, zegt hij, veel zelfvertrouwen. „Heb ik zeker een half jaar op kunnen teren. In mijn werk dacht ik, als een collega mij dwars zat: ‘Die mensen zijn de Mont Ventoux niet opgeweest’.”

De Nieuwe Fiets gaat nadrukkelijk niet over het uitzweten van een midlifecrisis. Het thema van het boek is de dood, die hem van Villar San Constanza naar Amsterdam op de hielen zit.

„Een leidraad en een dwangbuis voor mijn handelen”, zegt hij. „Ik weet, het klinkt lullig, maar het is wel waar. Het lijkt of ik de dood aantrek. De afgelopen zes maanden zijn weer vier mensen in mijn omgeving gestorven. In het boek probeer ik de relatie met mijn vader te doorgronden, denk ik aan overleden vrienden en kennissen bij de omroep. Het zijn mensen van wie ik heel veel heb gehouden. Ik kan ze niet uit mijn gedachten krijgen, word er ook rusteloos van. ‘Hard werken, tempo maken’", houd ik mijzelf voor. ‘Iets neerzetten, om het noodlot te ontlopen’.”

Een van de aantrekkelijkste aspecten van De Nieuwe Fiets is dat de auteur openhartig schrijft over de vele dingen die onderweg misgaan. Hij begint zijn tocht in het late voorjaar, als de cols in Italië nog gesloten zijn. Het weer zit niet mee; hij heeft geen regenkleding bij zich. Hij kan niet van de drank en de sigaretten af blijven. Hij heeft geen energie om op de fiets te klimmen, neemt de trein, voelt zich ‘een eersteklas loser’. Hij voelt zich eenzaam, verliest zich in sms’en met vrienden en geliefde.

Toch heeft hij geen spijt van zijn tocht. „Het leuke van alleen fietsen is dat je je eigen reispartner bent. Het is een test: kan ik het goed met mijzelf vinden? Om daar een antwoord op te geven moet je buiten jezelf treden: kijk hem nou fietsen, die jongen met dat rode jekkie door de regen. Als dat lukt krijg je een onthecht beeld van jezelf. Ik moet zeggen, ik vond het wel een leuk gezelschap, die Dirk. Hij was niet saai. En waar ik trots op was: hij wist zich uit een moeilijke situatie te redden. De Grote Sint-Bernhardpas was afgesloten, alleen de tunnel was open. Maar daar mocht je als fietser niet doorheen. Dat hem het toch is gelukt, geeft mij voldoening. Een kwestie van concentratie en inventiviteit, net als voor een zwaar interview.”

In zijn tweede huis in Noord-Frankrijk heeft hij „een soort fietsmuseumpje” waar afgedankte exemplaren onderdak vinden. Zijn eerste racefiets, een blauwe Gitane, staat er en een Giant Cadex, een zwarte rock-’n-rollracefiets waarop hij reed voordat hij de Cucchietti kocht. Nee, zegt hij beslist, de rossonero is geen fiets voor het leven. Roeleven heeft zijn oog laten vallen op een Hetchins, een met de hand gemaakte fiets uit Groot-Brittannië. „Prachtige frames, met lasverbindingen met een Keltisch motief.” Wellicht is de Cucchietti binnenkort een museumstuk, in Noord-Frankrijk.

Laatste in serie van vier interviews met schrijvers over fietsen. Lees eerdere delen op nrc.nl.tour

    • Menno de Galan