Grotere transparantie maakt recessies heviger

Door meer openheid mogen banken geen extra potjes creëren of kartelafspraken maken. In moeilijke tijden is er dus geen ruimte om verliezen weg te werken, stelt Dolf van den Brink.

Bankiers waren tot in de jaren zeventig vakmensen die als regenten uitmaakten wat goed was voor de klant. Het idee dat de klant vroeger veel te vertellen had, is onzin. Voorop stond het beheersen van risico en wel dat van de klanten als van de bank zelf. De financiële intermediatie via banken, de bemiddeling tussen geldgevers en geldnemers, liep via de balans. Daarbij stond transparantie (grote openheid van zaken) zeker niet voorop. Integendeel.

Het uitgangspunt was dat klanten altijd vertrouwen moeten kunnen hebben in hun bank. Daartoe hanteerden de bankiers vaak methoden waarmee ze tegenwoordig de grootst mogelijke problemen zouden krijgen. Er werd niet geschroomd onderlinge afspraken te maken waarmee de marges konden worden beïnvloed. Daarnaast dachten accountants dikwijls mee in de creatie van allerlei stille reserves.

Tegenwoordig is dat allemaal afgelopen. Het streven naar grotere transparantie heeft een einde gemaakt aan de mogelijkheid om potjes te creëren en op kartelafspraken staat inmiddels zowat de doodstraf.

Maar de grotere transparantie heeft tot nog meer geleid. Het heeft ertoe geleid dat de bankiers veel afhankelijker zijn geworden van de beschikbaarheid van twee belangrijke belanghebbenden, namelijk van getalenteerde werknemers en van kapitaal. Werknemers zijn zich bewust geworden van hun marktwaarde en willen deze ook vergoed zien. En de leveranciers van kapitaal dwingen bankiers te streven naar het hoogste rendement. Transparantie werkt als de doos van Pandora. Deze doos kreeg men echt niet meer dicht. De belanghebbenden zullen ook in de toekomst overwinsten blijven afromen.

Bankiers horen de reële economie te accommoderen. Die taak verandert niet, maar de manier waarop wel. Investment banking heeft een grote vlucht genomen en dat gaat ongetwijfeld verder door. Grotere transparantie stimuleert immers verdere dis-intermediatie: de bank fungeert daarbij slechts als makelaar tussen geldgevers en geldnemers.

Maar ook de rol van traditionele banken gaat fundamenteel veranderen. Banken zullen uiteraard hun kredietnemers blijven faciliteren, maar deze worden steeds meer de sluitpost. Er is geen reden te veronderstellen dat de nieuwe positie van de getalenteerde werknemers en de verschaffers van kapitaal weer structureel zal veranderen. Dat betekent dat in moeilijke tijden banken geen ruimte zullen hebben om debiteurenverliezen weg te werken. Ze zullen veel meer het zekere voor het onzekere moeten nemen.

Dit zal ertoe leiden dat recessies heviger zullen worden. Te beginnen in de nabije toekomst. De recessie die ons te wachten staat zal veel dieper zijn dan die bijvoorbeeld van eind jaren zeventig. Toen konden de banken de recessie dempen, nu versterken zij deze.

Er staat ons dus nog heel wat te wachten, maar ook in de verdere toekomst zullen banken de reële economie op een andere manier beïnvloeden. Bedrijven zullen er rekening mee moeten houden dat de kosten van vreemd vermogen veel hoger zullen worden. En – wat misschien nog belangrijker is – ze zullen veel minder kunnen blindvaren op de beschikbaarheid van geld. Het verdwijnen van de traditionele rol van de bank, de lender of last resort, zal bedrijven ertoe dwingen veel sneller te reageren op veranderingen in de markt. Men zal veel meer op cashflow moeten gaan managen – wat op langere termijn de groei van de productiviteit zal versterken. De uitslagen in de economie zullen echter veel groter worden en dat is voor partijen met een kwetsbare positie geen goed nieuws.

R.G.C. van den Brink is hoogleraar Financial Institutions aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1997 tot 2002 was hij lid van de raad van bestuur van ABN Amro.

    • Dolf van den Brink