Amsterdam, 2028

Het kabinet is er enthousiast over en de georganiseerde sport ook: de Olympische Spelen in Nederland.

Honderd jaar na ‘Amsterdam, 1928’ zou het grootste sportevenement ter wereld opnieuw in Nederland moeten worden gehouden. Bovendien steunt het kabinet de poging die de KNVB wil doen om het WK voetbal van 2018 in Nederland en België te organiseren.

Die politieke steun is alvast mooi meegenomen. In 1984 moest toenmalig premier Lubbers zich in het kabinet nog de blaren op de tong praten om onwillige ministers als Ruding (Financiën, CDA) en Winsemius (VROM, VVD) zover te krijgen dat het kabinet zich achter de kandidatuur van Amsterdam voor de Spelen van 1992 schaarde. En voor de Olympische Spelen van 1928 verbood de Tweede Kamer de regering om financieel bij te dragen aan een evenement met een „heidens karakter” (Kamerlid Scheurer van de ARP).

De tijdgeest is nu anders. De kandidaatstelling van Amsterdam voor 1992 mislukte totaal, mede door toedten van actievoerster Saar Boerlage, die later raadslid voor GroenLinks zou worden. Nu stelden twee Kamerleden van die partij onlangs juist bezorgde vragen omdat voorzitter Blatter van wereldvoetbalbond FIFA zijn twijfel uitsprak over de kandidatuur van België en Nederland voor het WK van 2018.

En nu ook maakte staatssecretaris Bussemaker (Sport, PvdA) gewag van haar enthousiasme voor het Olympisch Plan 2028 dat sportkoepel NOC*NSF onlangs presenteerde. „Het gehele kabinet doet mee”, zei ze erbij. In deze krant liet ze gisteren weten dat sportevenementen meerwaarde moeten bieden „voor toerisme, innovatie, duurzaamheid, economische groei en internationale handel”.

Dat is nogal wat. Kennelijk zijn alleen het plezier en het enthousiasme dat een groot sportevenement kan bewerkstelligen niet genoeg. In zijn plan had NOC*NSF daar overigens al op ingespeeld, bijvoorbeeld door de bijdrage van de sport aan het bruto nationaal product te benadrukken.

2018 en 2028 klinken als jaren die nog ver weg zijn, maar zeker de complexiteit van de Spelen en de voorbereidingstijd die nodig is, mogen niet worden onderschat. De kosten van zo’n evenement zelf zijn tegenwoordig niet meer het probleem – die zijn terug te verdienen. Het gaat om wat daaraan voorafgaat: de aanleg van een olympisch park met de bouw van sportaccommodaties, een olympisch dorp, nieuwe infrastructuur. De Spelen kunnen er zo wel aan bijdragen dat plannen versneld uit de procedurele stroop worden gehaald.

Als Nederland doorzet, ligt het voor de hand dat Amsterdam opnieuw kandidaat zal worden. Met ‘minder’ zal het Internationaal Olympisch Comité geen genoegen nemen: de Spelen gaan naar een metropool of naar een hoofdstad. Vervolgens doemt het probleem op hoe de Spelen in goede banen kunnen worden geleid. Dat gaat niet zonder tienduizenden vrijwilligers. En die te vinden in een land waarvan de inwoners niet opvallen door hun gevoel voor dienstbaarheid – dat kon weleens de grootste opgave worden.