Rio Tinto-zaak toont frustratie China

Met de arrestatie van vier medewerkers van mijnbouwbedrijf Rio Tinto wil Peking meerdere boodschappen afgeven aan binnen- en buitenland.

Dood de kip om de apen af te schrikken. Dit Chinese spreekwoord was het eerste dat door het hoofd schoot van Cheng Li van het Brookings-China Instituut, toen hij las over de arrestatie van vier medewerkers van het Brits-Australische mijnbouwbedrijf Rio Tinto in Shanghai.

De aanhoudingen – in het kader van een onderzoek van de staatsveiligheidsdienst naar spionage in de staalsector en diefstal van staatsgeheimen – ontlokte bij de econoom Gary Liu van de China-Europe International Business School (CEIBS) een vergelijkbare reactie.

„Het oppakken van deze vier medewerkers van een multinational als Rio Tinto is een boodschap met meerdere bestemmingen in China en in de internationale wereld van de grondstoffenleveranciers. Grondstoffenzaken zijn per definitie hoge en buitenlandse politiek”, denkt Liu.

Professor Cheng Li, die de Chinese politiek en economie nauwgezet volgt vanuit de kantoren van de liberale denktank in Washington en Peking, legt uit waarom de Rio Tinto-zaak meer is dan een spannende zomerthriller voor het internationale bedrijfsleven en de landen die grondstoffen leveren aan China. „Rio Tinto is een van de belangrijkste mijnbouwbedrijven ter wereld en er zijn tal van aanwijzingen dat president Hu Jintao persoonlijk bij deze affaire betrokken is. Het is daarom een tamelijk grote zaak die door velen in de nationale en internationale zakenwereld nauwgezet wordt gevolgd”, zegt Cheng.

Cheng en Liu denken dat het onderzoek tegen de Rio Tinto-onderhandelaars samenhangt met de „enorm frustraties” in Peking over het verloop van de geheime ijzerertsonderhandelingen in Shanghai. Deze jaarlijkse besprekingen over de richtprijs van ijzererts hebben tot nu toe in Chinese ogen niet het gewenste resultaat opgeleverd.

China, dat jaarlijks 600 miljoen ton ijzererts invoert, is uit op een prijsverlaging van 40 procent vergeleken met vorig jaar, maar de internationale mijnbedrijven in Australië, Afrika en Latijns-Amerika onder aanvoering van Rio Tinto willen niet verder gaan dan een korting van 33 procent. Een paar procent korting scheelt de Chinese schatkist meteen miljarden dollars per jaar. Het feit dat omringende landen zoals Vietnam, Maleisië en India wel de 33 procent hebben geaccepteerd is een extra bron van Chinese ergernis.

„China voelt zich voor het blok gezet op een moment dat de Chinese economie zich als een van de eerste in de wereld aan het herstellen is. De invoer van ijzererts is van strategisch belang voor de verdere uitvoer van het stimuleringsplan. Daarbij komt dat deze crisis het zelfvertrouwen van de Chinese leiders heeft versterkt. China heeft duidelijk minder last van de crisis dan het Westen en dat is een bron van trots. Maar dat zelfvertrouwen kan ook omslaan in arrogantie”, meent Cheng Li.

Liu wijst op een andere bron van Chinese frustraties. Pogingen van het Chinese staatsbedrijf Chinalco om een stevig pakket aandelen van Rio Tinto over te nemen mislukten. „Het verzet tegen deze transactie onder de aandeelhouders van Rio Tinto en in het Australische parlement is opgevat als een belediging, als een bewijs van de anti-Chinese stemming in het Westen”, zegt Liu.

Cheng en Liu denken ook dat de arrestatie van de vier Rio Tinto-medewerkers een signaal is aan het internationale en nationale bedrijfsleven om de anticorruptie-campagnes van president Hu Jintao serieus te nemen. Het onderzoek van de Chinese staatsveiligheidsdienst richt zich namelijk niet alleen op Rio Tinto, maar ook ook op de rol van de zestien grootste ondernemingen die ijzererts mogen importeren en de 1.200 onderaannemers.

Liu van het CEIBS in Shanghai: „Het hele systeem van bedrijven met importlicenties die ijzererts invoeren en dan weer tegen hogere prijzen doorverkopen aan de 1.200 staalproducenten in China is een bron van corruptie in de staatsbedrijven. Peking wil dat ondoorzichtige systeem hervormen, maar dat proces verloopt moeizaam.”

President Hu Jintao beschouwt corruptie in de overheid, de partij en in de top van de staatsondernemingen als een van de grootste bedreigingen voor de machtspositie van de Communistische Partij van China. Alleen al in 2008 werden 9.000 partij- en regeringsfunctionarissen wegens het aannemen van steekpenningen en andere misdragingen veroordeeld en uit hun functies gezet.

Cheng Li: „Als het waar is dat de vier Rio Tinto-medewerkers schuldig zijn – en dat moeten we zeker niet uitsluiten – dan zijn er ook Chinese staatsbedrijven en misschien wel partijfunctionarissen bij betrokken.”

Liu: „In de staalindustrie, maar ook in de andere sectoren van het bedrijfsleven, opereren zakenlieden in een wereld waarin persoonlijke relaties met tegenspelers in de staatsbedrijven en in de overheid van belang zijn. Guanxi-relaties zijn „zeer belangrijk. Er wordt veel gegeten en gedronken in karaokebars, er worden cadeaus uitgedeeld, er worden relaties gesmeed, er wordt vertrouwelijke bedrijfsinformatie uitgewisseld in ruil voor wederdiensten.’’ Hij wil daarmee zeggen dat de grens tussen normaal zakendoen en het plegen van bedrijfsspionage niet altijd duidelijk is.

Bij gebrek aan harde informatie over de aard van het onderzoek van de Chinese staatsveiligheidsdienst is het verdere verloop van de Rio Tinto-zaak volgens Cheng en Liu moeilijk te voorspellen. China en Australië lijken er op uit te zijn de schade zo beperkt mogelijk te houden. Cheng Li: „Maar het zou dan verstandig zijn als Australische politici zouden stoppen met het naar China wijzen voordat het onderzoek is afgerond. Al die verwijten over politieke willekeur en het ondoorzichtige juridische systeem vallen slecht in Peking en bij de publieke opinie.”

Over de toekomstige relatie tussen China en Rio Tinto, dat alle aantijgingen afwijst, durft hij geen uitspraak te doen. Liu: „Rio Tinto is groot en machtig, maar het is niet het enige mijnbedrijf ter wereld dat ijzererts kan leveren. Ik verwacht dus niet dat China bereid is in te binden en gezichts- en prestigeverlies te lijden.’’