Parttime tonnen

Rik Felderhof werkt voor een protestantse omroep. Die NCRV, die volgens haar missie „mensen wil aanzetten tot zelfonderzoek”, leeft dankzij zondebesef. Haar bekendste televisiecauseur heeft daarvan geen last. Felderhof verdient bij de NCRV 600.000 euro. „En dat voor een parttimebaan”, zei hij in deze krant. Exclusief „mijn verdiensten die ik heb als producent van mijn eigen programma’s”.

In twee zinnen analyseerde Felderhof zo openhartig een pijnlijke dubbele moraal. Enerzijds afficheren de publieke omroepen zich als non-profitorganisaties die terecht uit belastinggeld worden betaald omdat ze een maatschappelijke taak hebben. Anderzijds spiegelen ze zich qua arbeidsvoorwaarden juist aan de commerciële televisie. Als het loon van een publieke omroeper te schril afsteekt bij dat van een commerciële collega, kan dat altijd via de achterdeur van een productie-bv worden gecompenseerd. Niet alleen freelance sterren en presentatoren in de entertainmentsector maken gebruik van deze dubbele structuur. Ook medewerkers van programma’s, zoals Pauw & Witteman of Nova/Den Haag Vandaag, hebben eigen bv’s. In alle gevallen wast de ene hand de andere. Wie vaak op de buis is, kan rekenen op bijklussen. Wie dienstbaar werk doet en de ether niet meer haalt, verliest ineens gratis reclamezendtijd voor zichzelf.

Toen de Tweede Kamer deze maand instemde met een nieuwe beloningscode voor de publieke omroep werd al gezinspeeld op de bv-constructie. En ja, de code moet nu al worden aangescherpt.

Bestuursvoorzitter Henk Hagoort van de Publieke Omroep heeft dit weekeinde aangekondigd de mazen te dichten.

Dat is verstandig. Het is daarom jammer dat deze zakelijke aanpak wordt gerechtvaardigd met irrationele argumenten. Felderhof heeft volgens Hagoort „blijkbaar niets begrepen van de maatschappelijke discussie”. En voorzitter Tineke Bahlmann van het Commissariaat voor de Media plaatste vraagtekens bij de „integriteit” van publieke omroepen.

Deze verontwaardiging gaat eraan voorbij dat de dubbele bv-structuur tot nu toe niet is verboden. Maar belangrijker is dat zo de maatschappelijke discussie over de publieke omroep in bredere zin verzandt. Kennelijk is de hoogte van de bedragen de belangrijkste steen des aanstoots. Alsof de zogeheten Balkenendenorm een heilige grens is. Dat nu is een te gemakzuchtige benadering. Binnen een publieke omroep is het op zichzelf te rechtvaardigen dat kwaliteit, die coûte que coûte publiek moet blijven, ook navenant wordt gehonoreerd. Bij de BBC is het niet anders. Al is het, in het provinciaalse, op sport en talkshows gefixeerde Hilversum voor menig Nederlandse presentator te veel eer om aan zulke hoge internationale maatstaven te worden getoetst.

De maatschappelijke discussie, die Hagoort zo goed volgt, gaat ergens anders over. Over de hybride structuur van een omroep die publiek wordt gefinancierd maar er een private bedrijfsvoering op nahoudt en zo een valse concurrent is voor media die het zonder overheidssubsidie moeten stellen.