Homotherapie is gezellig maar niet zo effectief

Homoseksuelen kunnen bij christelijke praatgroepen terecht om hun ‘zondige geaardheid’ aan te pakken.

Gijs Haasjes merkte dat God geen hetero van hem maakte.

‘Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk’, zo vermeldt de Bijbel in Leviticus 18, vers 22. Maar wat doe je als je een man bent, de Bijbel de leidraad in je leven is en je voelt dat je mannen leuker vindt dan vrouwen? Gijs Haasjes (29) worstelt vanaf zijn twaalfde met deze gemengde gevoelens.

„Ik was en ben radicaal gelovig. Mijn ouders vonden dat prima. Waarom ook niet: ik ging graag naar de kerk, naar catechisatie, wilde zelfs dominee worden. Op mijn twaalfde werd ik verliefd op een jongen uit 6 vwo. Ik vertelde mijn ouders dat ik homoseksuele gevoelens had, maar zij deden er niet moeilijk over. Mijn moeder zei dat ik me geen zorgen moest maken; later zou ik het al moeilijk genoeg kunnen krijgen en tegen die tijd kon ik wel zien wat ik met die gevoelens zou doen.”

„Ook in de kerk, we waren gereformeerd, heeft de dominee er nooit iets over gezegd. Maar ik ben heel orthodox en op mijn christelijke middelbare school ging ik naar een gebedsgroep. Dan praat je over geloof, over seksualiteit en dan hoor je ook van anderen dat homoseksualiteit een gruwel is. Het staat ook letterlijk in de Bijbel dat homoseksualiteit verkeerd is. Je moet wel heel rare bokkensprongen maken als je dat er niet in leest.”

„Na de middelbare school begon ik aan een opleiding tot pastoraal medewerker. In Ede, aan een rechts-orthodoxe school. Dat leidde ertoe dat ik radicaliseerde en de Bijbel letterlijker ging lezen. In de evolutietheorie geloofde ik niet meer, het creationisme, dat was goed. Dat waren wel heel interessante lessen trouwens. Er liepen daar docenten rond van de Hervormde Bond, in zwart pak, maar we konden ontzettend lachen onder elkaar. De vrienden die ik toen kreeg vonden mijn homoseksualiteit echter ook een gruwel en vonden dat ik er wat aan moest doen. En dat vond ikzelf ook.”

„Ik kwam uiteindelijk terecht bij de Evangelische Hulp aan Homofielen, een organisatie die nu Different heet. Ik volgde daar een soort therapie en dat was geweldig. Tijdens het intakegesprek werd mijn hulpvraag geformuleerd: ik zit met homogevoelens en wil erover praten. Nu, dat kon, in drie fasen. De eerste bestond uit persoonlijke gesprekken met een therapeut. Althans, de persoon met wie ik sprak was naast theologisch ook psychologisch geschoold, maar het voelde niet als een sessie, het was gewoon heel fijn om te praten en dat er naar me werd geluisterd.”

„De coming out-groep die hierop volgde was heel gezellig. De gesprekken vonden plaats in Amsterdam, dus na afloop gingen we lekker stappen. De derde fase bestond uit een gesprekskring van ongeveer dertig mensen. De meesten waren van mijn leeftijd, maar er waren ook mannen die getrouwd waren en nu pas beseften dat ze homoseksuele gevoelens hadden. Een man was een jaar of vijftig en dat was wel een schrikbeeld voor ons: vijftig jaar en nog steeds homo.”

„Different zal nooit zeggen dat ze naar genezing streeft. Maar de indruk die ik kreeg was: je bent ziek, je moet genezen. Er zit door de zondeval een gebrokenheid in je en er zijn nu twee manieren om naar Gods wil te leven: of veranderen en met een vrouw trouwen of celibatair leven. En op mijn achttiende besloot ik dat het dat laatste moest zijn. Maar dat was natuurlijk onzin. Je ziet iedereen om je heen verliefd worden, trouwen en dan zou jij op je achttiende al kunnen beslissen dat je celibatair gaat leven? Maar dat was wel mijn idee. Het waren heel leuke fasen, eigenlijk zou iedereen ze moeten volgen. Maar het was ook een beetje geniepig. In de eerste fase speelt de ontwikkelingspsychologie een grote rol. Dan had ik opeens homoseksuele gevoelens, omdat ik nog een oedipuscomplex met mijn vader uit te vechten had. Nou, mijn vader is een schat. Toen dacht ik ook: moet de oplossing nu uit de psychologie komen of van God?”

„Tot mijn 26ste ben ik nog naar een supportgroep van Different gegaan. Maar dat contact verwatert dan. Ik had mijn werk en zocht mijn plekje in de wereld, mijn eigen geld, eigen huisje, ik had het druk.”

„Ik kreeg een baan als pastoraal werker in een kleine dorpsgemeenschap. Dat was een moeilijke tijd. Het was een orthodoxe kerk en alleen de predikant wist dat ik homoseksueel was. Ik was weg uit Ede en al het goede wat het geloof me bood, het sociale contact, was weg. Ik verloor me in mijn werk: ik moest het geloof uitdragen, jongeren begeleiden, volgde tussendoor een opleiding. Ik zat helemaal alleen in dat kleine dorp en ondertussen worstelde ik maar met die gevoelens. Ik was best eenzaam. Iedereen die contact met me maakte, deed dat vanwege mijn functie, niet om wie ik was.”

„Na twee jaar ben ik bij een supermarkt gaan werken, heerlijk. Ik kwam tot rust en kon nadenken over wat ik wilde met mijn leven. Ik kwam uiteindelijk in contact met een christelijke maatschappelijk werker. Bij hem formuleerde ik dezelfde hulpvraag als eerst: ik zit met homoseksuele gevoelens en wil er graag over praten. Alleen zijn reactie was: wat is het probleem dan? Ga rechtop staan en doe eens wat je wilt, zei die man tegen mij. Hij heeft mij geleerd niet steeds te denken aan wat God wil dat ik doe, maar aan wat ik zelf wil. Hij had gelijk. Ik kon mijn behoeften wel blijven baseren op iets wat een hogere macht van me wilde, maar dat geeft geen vervulling. Verwacht niet van mij dat ik je ga helpen te genezen, zei hij ook, doe eens wat met die gevoelens voor mannen, dat is toch leuk?”

„Ik heb mijn hele leven veranderd. Ik werk nu als begeleider in een woongroep voor verstandelijk gehandicapten. Veel van mijn collega’s zijn ongelovig, dat is ook nieuw voor me. Ik heb hun dit hele verhaal wel verteld, maar ze vinden het eigenlijk onzin.”

„Ik ben nu heel gelukkig met mijn vriend Johan. Achteraf denk ik dat ik er nooit van overtuigd ben geweest dat God me kon genezen. Ik liet toe dat ik homo mocht zijn. Ik zat en zit in een spagaat: het mag niet, ik moet genezen. Je hoopt het ook. Maar aan de andere kant mag ik er gewoon zijn, ik mag erover praten. En God is toch liefde? Waarom gaan deze gevoelens niet weg, terwijl ik daar toch zo vaak om gevraagd heb? God is gewoon geen grote tovenaar. Hij hoeft niet meer voor mijn geluk in te staan. Hij heeft me mijn leven gegeven en dat is voldoende. Ik geloof ook niet meer dat de Bijbel het woord van God is. In de Bijbel stáát het woord van God. En het woord van God kan op allerlei manieren tot je komen, ook via een boeddhistische tekst. Maar de Bijbel blijft wel de leidraad. En in de Bijbel staat nog steeds dat homoseksualiteit verkeerd is. Als een moslim zegt dat hij een homo van het dak mag gooien, dan heeft hij gelijk. Dat staat in de Koran. Zo staat ook Different in haar recht. Maar ja, leuk is het niet.”

„Ik ken wel mensen die ervoor hebben gekozen te trouwen met iemand van het andere geslacht en zelfs kinderen hebben gekregen. Ik geloof ook dat zij gelukkig zijn. Geluk hangt af van jezelf, althans, voor een deel. Maar ik kan me voorstellen dat ze gelukkig zijn. Je moet je leven er alleen naar inrichten. En een beetje uitkijken op straat, als je een knappe man ziet lopen. De duivel stuurt nu eenmaal verzoekingen op je af. Maar gelukkig nooit bovenmatig, daar zorgt God wel voor.”

„Maar ik denk weleens: stel dat ik het fout heb en dat de hel nu voor me wordt opgestookt? Waar sleep ik Johan in mee, waar sleept Johan mij in mee? De onrust is er, en het is weleens eng. Maar die gevoelens blokkeer ik. Ik kies voor mezelf, ik houd van Johan. En als we trouwen, dan hoop ik dat een predikant ons huwelijk wil inzegenen.”

    • Antoinette Brummelink