Het fatale zoeken naar de 'The Next Big Idea'

Gillian Tett van de Financial Times traceerde het ontstaan van de kredietderivaten die de crisis veroorzaakten.

Het kon allemaal niet op – totdat het mis ging.

Pauze voor de medewerkers van de Lehman Brothers in Londen op 15 september 2008, de dag waarop de Amerikaanse investeringsbank uitstel van betaling aanvroeg. (Foto Reuters)
Workers stand outside the office of U.S. investment bank Lehman Brothers, in the Canary Wharf district of London on September 15, 2008. The ruptured U.S. financial system faces an unprecedented shake-up with Lehman Brothers filing for bankruptcy, Bank of America buying Merrill Lynch and the Federal Reserve saying for the first time it will accept stocks in exchange for cash loans. REUTERS/Andrew Winning (BRITAIN)
REUTERS

Juni 1994. Tijdens een brainstormweekeinde in het Boca Raton Hotel aan de goudkust van Florida gaat een groepje jonge ambitieuze bankiers van JP Morgan zo ‘los’, dat ze elkaar met kleren aan in het zwembad smijten. Sommigen racen in golfkarretjes over het gazon. Eentje breekt tijdens een stoeipartij zijn neus. De meesten verschijnen met kater aan het ontbijt.

Met deze anekdote begint Gillian Tett, verslaggever financiële markten bij de Financial Times, haar boek Fool’s Gold. Hoewel, anekdote? Tett is van huis uit antropoloog. In dit boek, dat gaat over de bank JP Morgan vóór en tijdens de financiële crisis, kiest zij niet voor niets dit weekeinde uit als het begin van alle ellende. Dit was namelijk het moment waarop het idee van de credit derivative werd geboren.

De mannen van JP Morgan waren lichtelijk gefrustreerd. Ze stonden in de jaren 90 aan de wieg van financiële innovaties, maar andere banken kopieerden die producten en maakten er binnen de kortste keren meer winst mee. Dat kwam doordat zij meer risico’s namen. JP Morgan was een traditionele bank die prudentie hoog in het vaandel had staan, en dat graag zo wilde houden.

Om zich te ontdoen van deze vernederende ‘vloek van de innovatiecyclus’ (iets bedenken waar anderen rijk mee worden), was dit brainstormweekeinde georganiseerd. Konden zij niet een briljant financieel product bedenken waarmee de bank weinig risico liep en toch stevig kon verdienen? Iets wat het predicaat The Next Big Idea kon krijgen?

In Florida opperde één van de half-brakke bankiers dat de bank kon proberen het risico van niet-terugbetaalde leningen af te kopen – zoals graanboeren het risico van mislukte oogsten afkopen. Hoewel niet alle aanwezigen registreerden wat hij zei, zag Peter Hancock, de baas en ‘intellectuele vader’, de potentie hiervan. En onder zijn hoede zouden de eerste kredietderivaten aan hun opmars beginnen. ‘Het was pas jaren later’, schrijft Tett, ‘dat het team de gevolgen overzag van deze kredietderivaten.’

Tett beschrijft de opmars van de handel in kredietderivaten leesbaar en tot in alle absurditeit. De essentie is simpel: een bank leent iemand geld om een huis te kopen. Daarna vindt de bank een andere instelling bereid om het risico dat deze persoon het geld niet terugbetaalt, over te nemen in ruil voor een bepaald bedrag. De bank betaalt dus een premie om van het risico af te zijn, en een ander verdient iets door het risico over te nemen. ‘Het idee is simpel. Zulke deals waren voor iedereen interessant.’

De hoogte van de premie hangt af van diverse factoren. Die factoren werden, naarmate de handel omvangrijker werd, met groeiende mathematische precisie door computers berekend. Toen JP Morgan medio jaren negentig de eerste kredietrisico’s doorverkocht, bestonden er alleen meer of minder risicovolle types. Later, toen andere banken zich ook op deze markt hadden gestort, werden die types opnieuw gebundeld en opgeknipt naar hoger of lager risico.

Die werden op hun beurt verkocht, doorverkocht, terugverkocht. Uiteindelijk begrepen ook bankiers niets meer van de herkomst van producten met namen als Bistro (broad index secured trust offering) en een risicogehalte als super-senior of mezzanine. Maar het verdiende enorm; het kon niet op.

Tett veroordeelt dit product op zichzelf niet. Ook de mensen die het bedachten en erin handelden, sabelt ze niet neer. Wat ze wél veroordeelt, is de afwezigheid van restricties op de schaal waarop deze producten werden verhandeld. Tett beschrijft hoe toezichthouders soms bankiers ontboden om te vragen waar ze in vredesnaam mee bezig waren.

Maar ze lieten zich zo belobbyen en foppen dat ze weer maanden de andere kant op keken. Bij JP Morgan deden daar hard aan mee. Sommigen van hen voorvoelden dat dit uit de hand zou lopen. Maar hun angst voor bemoeizuchtige toezichthouders, hun angst voor álles wat de vrije markt zou beteugelen, was altijd groter. Op dit punt had Tett JP Morgan wel harder mogen aanpakken. Want mede doordat zelfs deze mensen niet aan de bel trokken, kon de dode hoek van de kredietcrisis ontstaan.

Die dode hoek had te maken met reserves die banken moeten hebben, als buffer voor het geval dat geld dat zij hebben uitgeleend niet wordt terugbetaald. De zogeheten Bazel-akkoorden verplichten banken deze reserves te hebben – afhankelijk van hoeveel risico’s ze ‘uitzetten’. Maar als je die risico’s doorverkoopt, of afkoopt, zoals met kredietderivaten, heb je dan nog een cash buffer nodig? Nee, zeiden de banken, want veel risico’s zijn dan nagenoeg verdwenen: die heeft iemand anders op zijn bord.

Dat kwam hun goed uit, want daardoor konden ze meer uitlenen en dus meer verdienen. Zij zetten allerlei ‘vehikels’ (vaak offshore bedrijven) voor de derivatenhandel op, die deels binnen en deels buiten de bank opereerden, een bouwwerk dat op den duur zelfs voor interne boekhouders ondoorgrondelijk was. Bij JP Morgan mochten ze dan samen met de concurrentie de toezichthouders in slaap sussen, in eigen huis namen ze stevige voorzorgsmaatregelen. Dit verklaart waarom zij tijdens de crisis minder klappen kregen dan anderen.

Het bizarre, schrijft Tett, is dat men dit bij de meeste andere banken tot dan toe niet in de gaten had. Zij waren blind voor wat zich tegelijkertijd in het echte leven afspeelde. Volgens de modellen was de kans vrijwel nihil dat heel veel mensen tegelijk hun hypotheek niet zouden kunnen terugbetalen aan de bank.

Dat was nooit eerder gebeurd. Maar in 2007 dus wel. Sterker: het werd al jaren voorspeld door mensen die de huizenmarkt kenden. Werklozen, terminaal zieken en mensen van bijna honderd kregen huizen aangesmeerd, en hypotheken die ze nooit konden terugbetalen, in de hoop dat dit stemmen voor de Republikeinen zou opleveren (de Democraten hadden hier eerder al van geprofiteerd). Er bestond beleid om dit te voorkomen. Maar die regels waren om politieke redenen, van hogerhand, tijdelijk buiten werking gesteld.

De clou van dit boek is dat de crisis voorkomen had kunnen worden als er in de politiek en bij financiële instellingen meer mensen met een normaal functionerend verstand hadden gezeten. Mensen die af en toe in het park zitten zónder blackberry, mensen die hun eigen monomane aannames kunnen relativeren. ‘Holisme’, noemt Tett dat. Ze wijdt er zelfs een laatste, moraliserend hoofdstukje aan. Jammer. Want die boodschap had de lezer zelf allang uit dit voortreffelijke boek gedestilleerd.

G. Tett: Fool’s Gold. How Unrestrained Greed Corrupted a Dream, Shattered Global Markets and Unleashed a Catastrophe. Little, Brown, 338 blz. € 24,–

    • Caroline de Gruyter