Geen aparte status meer confessionele universiteit

Confessionele universiteiten zijn indertijd opgericht om wetenschappelijk onderzoek en onderwijs op basis van een confessionele, in dit geval christelijke grondslag veilig te stellen en te bevorderen en zodoende bij te dragen aan kerstening van de geseculariseerde moderne wetenschapsbeoefening. Daaraan ontlenen zij sinds lang een bijzondere juridische status. De vraag is of die status nog altijd gewettigd is. Het confessionele karakter van die universiteiten is vooral sinds de jaren zestig steeds meer vervaagd, zozeer zelfs dat die confessionaliteit een façade geworden is waarachter wetenschapsbeoefening en daarop aansluitend onderwijs schuilgaan die zich in niets meer onderscheiden van openbare universiteiten. De oorspronkelijk katholieke universiteiten van Nijmegen en Tilburg hebben de verwijzing naar hun katholieke oorsprong en doelstelling inmiddels doelbewust uit hun naam geschrapt. Een wetenschapsfilosoof als Herman de Regt, verbonden aan de Universiteit van Tilburg en schrijver van het boek Wat een onzin, hield onlangs daarover een lezing in Rotterdam. Op de vraag naar de bestaansreden van confessionele universiteiten antwoordde hij ronduit dat op geloof stoelende wetenschapsbeoefening grote onzin is. In zijn ogen zijn het schizofrene instellingen. Als aan die universiteiten verbonden wetenschappers helemaal niet meer in die confessionele grondslag geloven en die derhalve negeren, verliest die grondslag iedere geloofwaardigheid.

Waarom dan nog die bijzondere juridische status handhaven die zij genieten als uitvloeisel van de onderwijsverzuiling, waardoor zij bijvoorbeeld het hele benoemingsbeleid naar eigen confessionele criteria kunnen bepalen? Het publieke spreken en handelen over die verzuiling, aldus onderwijssocioloog J. Dronkers, speelt zich af in een schijnwereld, waarin net gedaan wordt alsof die verzuiling nog steeds in dienst staat van religieuze doelstellingen. De praktijk leert anders.