De zee is van iedereen en dus ruimt niemand op

Stel je vierduizend vrachtwagens voor met elk een laadruimte van twintig kubieke meter. Daar past twintig miljoen ton afval in. Dat verdwijnt jaarlijks in de Noordzee.

In Scheveningen kun je golfsurfen tussen de bloemen. Rozen. Lelies. Aronskelken. Er zijn veel asverstrooiingen voor de kust, zegt Martijn van Schaik van de Surfrider Foundation Europe. „Als de wind en de stroming aanlandig zijn, spoelt het allemaal aan.” Geregeld liggen er hele bloemstukken met steekschuim en lint op het strand. Net alsof er iemand onder het zand begraven ligt.

De bloemen zijn het ergste niet, zegt Van Schaik. Op sommige dagen zit er teer of paraffine van schepen op zijn surfplank. Dan is het weer uitkijken voor een flink stuk hout of plastic. Met beach cleanups probeert Surfrider Foundation Europe de aandacht te vestigen op de vervuiling. Vrijdag was er nog een schoonmaakactie, in Zandvoort. In een uur tijd hadden ze volgens Van Schaik dertig vuilniszakken vol.

Vorige maand hielden de Verenigde Naties voor het eerst officieel Wereldoceanendag. Officieus bestaat de viering van de wereldzeeën al sinds een VN-milieuconferentie in Rio de Janeiro in 1992. Het thema van dit jaar was Our Oceans, Our Responsibility. In de praktijk geldt: de zee is van iedereen en dus ruimt niemand op. Zeker niet nu de aandacht voor het milieu zich concentreert op het broeikaseffect.

Op vijf locaties in de wereldzeeën drijft een heleboel plastic, denken onderzoekers, vooral op plaatsen waar diverse zeestromen in een cirkelvormige beweging samenkomen. De bekendste plaats is de Great Pacific Garbage Patch, in 1997 ontdekt door kapitein Charles Moore. Schattingen van de omvang van dit afvalkerkhof in de Grote of Stille Oceaan variëren sterk. Volgens de laatste berekeningen omspant deze ‘kunststofarchipel’ een gebied van twee keer de Amerikaanse staat Texas. Denk daarbij niet aan een drijvend vuilniscontinent, maar eerder aan een goedgevulde ‘plastic soep’, tot meters onder de zeespiegel.

Voor de Nederlandse kust valt het nog wel mee met zwerfafval – denk je dan. Dat is dus een misverstand, zegt Jesse Goossens, schrijfster van het onlangs verschenen boek Plastic Soep. „Nederland is een deltagebied. Alle binnenrivieren, met veel industrie erlangs, komen uit in de Noordzee.” Deze zee is ook een van de drukste scheepvaartroutes ter wereld. „Op een gebied van anderhalf keer Nederland zijn er 260.000 scheepvaartbewegingen per jaar”, zegt senioradviseur Lex Oosterbaan van Rijkswaterstaat Noordzee.

Hoeveel afval er in de Noordzee zit, weet niemand precies. Volgens een schatting van OSPAR, een samenwerkingsverband van vijftien Europese regeringen voor de Noordzee, wordt er jaarlijks twintig miljoen kilo afval geloosd in de Noordzee, van België tot Schotland en Noorwegen. Het wordt weleens vergeleken met een file van vierduizend vrachtwagens met een laadruimte van twintig kubieke meter.

Ongeveer 70 procent van het afval zinkt, 15 procent blijft drijven en 15 procent spoelt aan land, zegt Oosterbaan van Rijkswaterstaat. „Van het strandafval komt bijna de helft uit zee, vaak duidelijk van de scheepvaart en visserij. De andere helft is van strandtoeristen.”

KIMO, een milieuvereniging van kustgemeenten, werkt samen met havens in het project Fishing for Litter. De vissers brengen het afval in hun netten terug aan land. Ze vangen boeien, trossen, volle verfblikken, autobanden, vliegtuigonderdelen, hele wasmachines en kopieerapparaten.

Plastic vinden deze vissers het meest. De toe- en afname ervan wordt officieel gemeten met een effectief instrument: de Noordse stormvogel. Hij lijkt op een meeuw, zegt zeebioloog Jan Andries van Franeker van onderzoeksinstituut IMARES, maar het is eigenlijk een kleine albatros. „Ze komen alleen aan land om te nestelen en leven op open zee. Daar eten ze alles wat ze tegenkomen, ook afval. Het plastic hoopt zich op in hun maag. Een klein deel sterft direct, de meeste vogels verzwakken gaandeweg.”

Al dertig jaar inventariseert Van Franeker de hoeveelheden onverteerd afval in de magen van aangespoelde stormvogels. Bij de laatste telling had 92 procent van de gevonden vogels (56 van de 61) plastic in de magen.

Hoe langer plastic in zee drijft, des te kleiner de stukjes zijn waarin het uiteenvalt. Zo bestaat de plastic soep in de Grote Oceaan uit twee delen. Het westelijke deel wordt gevoed met nieuw plastic uit Japan, zoals tasjes en flessen. In het oostelijke deel, tussen Los Angeles en Honolulu, drijft het oudste plastic in fijne snippertjes. Een deel daarvan is microscopisch klein: microplastic.

Dit microplastic wordt verspreid door heel de voedselketen. Het wordt gegeten door plankton dat wordt gegeten door vissen, die op hun beurt in mensenmagen belanden. Hoeveel microplastic er in de Noordzee dwarrelt, moet de komende jaren worden onderzocht.

Het gif ín plastic is het grootste probleem niet, zegt hoogleraar milieutoxicologie Tinka Murk van de Wageningen Universiteit, ook verbonden aan IMARES. Het probleem is het gif dat al in zee ronddrijft. De meeste gifstoffen in zee zijn vetminnend, zegt Murk. „Ze mengen zich slecht met water, maar hopen goed op in het vet van vissen, zeehonden, mensen of bijvoorbeeld restafval.”

Murk: „Ook voor mensen en hun ongeboren kinderen zijn zulke stoffen niet gezond. De concentraties slecht afbreekbare stoffen zijn het hoogst in lang levende roofvissen zoals haai en tonijn, maar ook in wilde palingen hoopt veel gif op. Als je eens per maand foute tonijn of paling eet, overschrijd je eigenlijk al de norm.”

Uiteindelijk hoopt veel gif in zee zich op aan de polen, zegt Murk. „Gifstoffen verdampen en reizen via de atmosfeer van warme naar koudere streken. Aan de polen kunnen de gifstoffen bijna niet meer verdampen. Ook bacteriologische processen gaan langzaam bij lage temperaturen en het gif breekt nauwelijks af. Het hoopt zich wel op in het leven op de polen. Steeds meer ijsberen zijn gewoon wandelend chemisch afval.”

Wat gebeurt er nu het poolijs smelt? Dan komt het opgeslagen gif weer vrij en stroomt het terug de wereldzeeën in. Misschien is al die aandacht voor het broeikaseffect zo gek nog niet.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

20 miljoen ton afval

In het artikel De zee is van iedereen en dus ruimt niemand op (20 juli, pagina 3) is de rekensom onvolledig. 4.000 vrachtwagens met een laadvermogen van elk 20 ton leveren 80.000 ton per dag. Bij 250 werkdagen is dat 20 miljoen ton per jaar en dat is vergelijkbaar met de jaarlijkse hoeveelheid afval die in de Noordzee verdwijnt.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

20 miljoen kilo afval

In tegenstelling tot wat een eerdere correctie meldde, klopt de vergelijking in het artikel De zee is van iedereen en dus ruimt niemand op (20 juli, pagina 3). Naar schatting wordt jaarlijks twintig miljoen kilo afval in de Noordzee gestort. Die hoeveelheid wordt wel vergeleken met de lading van 4.000 vrachtwagens. In het begin van het artikel staat wel verkeerd dat het zou gaan om twintig miljoen ton afval, in plaats van kilo’s.

    • Eppo König