Boze indiaan

Ik heb ruzie met een Amerikaanse indiaan. Jim Jones heet-ie. In het begin ondertekende hij zijn brieven nog met een hartelijk mii-gwich, ‘dank je wel’ in zijn moerstaal. Maar sinds ons laatste contact staat er alleen nog onderkoeld ‘Jim’. De oorzaak ligt primair bij mij, aldus Jim. ‘Je hebt geen indruk op me gemaakt’, schreef hij een paar dagen geleden. Jim draait niet om de zaken heen.

Wat een prettig begin van mijn odyssee langs de grote rivieren van de Verenigde Staten en China had kunnen zijn, is meteen al uitgemond in conflict. Voor de voorbereiding van mijn boek, een dubbelportret van beide landen langs de oevers van de Mississippi en de Yangtze, had ik Jim om hulp gevraagd. Hij is werkzaam bij de Indian Affairs Council in de staat Minnesota en verantwoordelijk voor het behoud van het cultureel erfgoed van Amerikaanse indianen aan de bovenloop van de Mississippi. Het leek mij toepasselijk om daarover te schrijven, omdat aan de bovenloop van de Yangtze etnische Tibetanen wonen die nu niet bepaald worden gerespecteerd door de Han-Chinese bureaucraten die er de baas zijn. En aangezien de geschiedenis van de indianen ook geen gelukkige is, had ik willen weten hoe die in Minnesota was verwerkt. Was de sociale ongelijkheid die daar had bestaan nog actueel?

Die vergelijking schoot Jim direct in het verkeerde keelgat. „Ik weet wat je van plan bent”, bitste hij terug. „Kom me niet met verhalen over onze ongelukkige geschiedenis. Kom liever met een open geest!” De lange verhandeling die volgde was één groot pleidooi in de stijl van Obama. „Ja, er zijn problemen, maar zijn die anders dan in de rest van de wereld? Nee! En betekent dat dat we die niet de baas kunnen? Nee! We willen en we kunnen veranderen, yes we can.”

Onbedoeld had ik meteen een gevoelige snaar geraakt. Praten over het onfortuinlijke verleden en de sociale gevolgen daarvan geven duidelijk geen pas. Ik word bedankt. Geen mii-gwich.

En dit is nog maar het begin!