Als het fout gaat, trekken we een sprint, hoor

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 10: mee met Karski, die twee supermarkttassen vol spuitbussen bij zich heeft.

(Foto David Galjaard en Christian van der Kooy) Galjaard, David;kooy, christian van der

Het is pas middernacht, maar dat is laat genoeg, zegt graffitiveteraan ‘Karski’ aan de telefoon. Of we ons dan even melden bij het Marnixbad. De fotografen en ik hadden een geblinddoekte tocht naar een afgelegen industrieterrein verwacht – iets in het stikdonker, met waakhonden en alarmsystemen – maar nee, we verzamelen op een steenworp afstand van het politiebureau, in het centrum van Amsterdam.

„Een beetje bluf hoort erbij”, grijnst Karski (die liever niet met zijn echte naam in de krant komt) als we aan komen lopen. We wandelen met twee supermarkttassen vol spuitbussen en Karski’s Spaanse vriendin naar een open plek in het parkje. Karski heeft een ‘muurtje’ gezien achter het Marnixbad dat wel een lik verf kan gebruiken. Een skate ramp, die al behoorlijk is volgeklad – maar dat maakt het niet minder illegaal.

We staan in het felle licht van straatlantaarns in een parkje, waar rondom auto’s, fietsers en hondenuitlaters langskomen. Karski weet dat de avondpatrouille van dienst wisselt om twaalf uur ’s nachts, dus misschien zijn ze dan even van de straat. „Of juist niet, natuurlijk.”

Op de achterkant van de ramp is nu al een enorme graffititekening afgebeeld. In hoekige letters staat er iets als ‘Bork’. „Mensen uit Zweden” hebben die gemaakt, weet Karski. Het is heiligschennis om over de piece van iemand anders heen te schilderen, maar Karski wijst: „Kijk, hier is het al helemaal afgebladderd, en hier heeft ook iemand een tag gezet. Zolang het er goed bij staat blijf je er af, maar het ziet er niet uit, dus dan mag ik er wel overheen.”

Wat gaat hij maken? „Dat zie je zo wel.” De Spaanse vriendin neemt op eerbiedige afstand plaats op een muurtje tegenover de ramp. Ze komt uit Barcelona, volgens Karski ooit het walhalla van de graffiticultuur. Terwijl Karski meer van de ‘letters’ is („ik speel graag met vormen en kleuren”), tekent zijn vriendin op de Catalaanse muren en rolluiken liever ‘personages’, bijvoorbeeld vrouwengezichten. Als ze niet aan het werk is als tatoeëerder, tenminste.

Karski zet de tassen met spuitbussen naast het muurtje neer en steekt een verse joint op. „Zo. En nu hopen dat het niet gaat regenen.” Hij laat zijn oog over de muur glijden en pakt een bus oranje spuitverf uit de tas. „Even wat schetsen.”

Als 11-jarige was hij voor het eerst mee met een neef, op de uitkijk staan. Lekker rennen, adrenaline. En ja, een beetje bewijsdrang. „Klom ik uit het slaapkamerraam, spuitbus uit de schuur van mijn vader gejat en gaan.” Nee, dat vonden z’n ouders niet zo leuk. Maar verder hebben ze hem wel degelijk gesteund, zolang het spuiten legaal bleef. Later deed Karski de Grafische School en de Kunstacademie.

We staan wel erg in het licht, zeg. Bij elke langsrijdende auto draait Karski zich even om. Agenten in burger kunnen ook patrouilleren, maar een passerende Saab vormt geen gevaar: „Die is te duur voor de politie.”

Bluf, daar gokt Karski op. „Ze verwachten nooit dat we hier staan, zo vlakbij het bureau.”

Karski trekt met strakke hand lijnen, dat worden vlakken, die kleurt hij weer in. Genadeloos sprayt hij over de kunst van de vorige artiest heen. „Zie je al wat het wordt?” Het fotografenduo dat op een afstandje toekijkt, grinnikt. Nee, ik zie het niet.

In Amsterdam zijn er een paar gedoogplekken, vertelt Karski: bij de Schellingwouderbrug, op de kop van het Java-eiland, en als je het lief vraagt aan de opzichter van een bouwplaats (en misschien je portfolio laat zien), mag je soms kale bouwschuttingen versieren. Is er dan nog wel de kick van het illegaal spuiten in de nacht? „Nee hoor, overdag legaal spuiten is ook fijn. Barbecuetje erbij, beetje chillen. Het gaat om de kunst.”

Alleen blijven de werken niet lang staan op zo’n gedoogmuur, maar ach, zegt Karski, „dan hebben we de foto’s nog.” De 35-jarige Karski gaat niet meer zo vaak ’s nachts op pad, „alleen als ik ineens zin heb”. Hij heeft een zoontje en verdient inmiddels zijn brood met graffiti. Regelmatig wordt hij ingehuurd om een muur op te vrolijken. Zo tekende hij de beeltenis van rapper Tupac op de muur van een naschoolse kinderopvang in Den Bosch. „Wel in het getto hoor. Die kids zijn dol op Tupac.”

Maar de guerrillakunst die graffiti heet, blijft ook trekken. Neem nou een paar jaar geleden, toen Karski in een grote stad in het buitenland zo’n vijfduizend insecten op straat kalkte, in twee weekeinden. Nog steeds weet niemand dat hij het is geweest. Leuk toch?

Het is één uur ’s nachts en in het park klinkt nog alleen het zacht sissende geluid van Karski’s spuitbus. Lekker, die zoete lucht van natte verf.

Nee, hij had van tevoren niet bedacht wat hij zou maken. Met wijde armgebaren kleurt hij uit het hoofd elke centimeter van de wand in. Op de zijkant van het skatebouwsel staat een soort hallucinerend varken afgebeeld. De handtekening meldt niets meer dan ‘Amsterdam 2009’. Toeristen, weet Karski. Die zetten hier in de stad nog de meeste illegale graffiti. „Ze denken dat alles nog kan in Amsterdam”.

Zelf is hij een keer of vier opgepakt. Dat betekent: een nacht politiecel, soms drie nachten, en voorkomen bij de rechter. De boetes kunnen oplopen tot tienduizenden euro’s – omdat het zoveel geld kost om de verf te verwijderen. Karski vindt het hypocriet. „Als er een dichtgetimmerde wijk moet worden opgevrolijkt, weet de gemeente ons maar al te gauw te vinden.” Hij snapt ook wel dat je niet zomaar elke muur kunt volspuiten, „maar een beetje erkenning zou wel aardig zijn, dat we meer plekken krijgen. Mensen willen toch hun ei kwijt.”

De schutting bij het paleis op de Dam, die zou hij nog wel willen doen. Onmogelijk. En het oorlogsmonument? Nee, zegt Karski, „sommige dingen moet je in zijn waarde laten”.

Iets met zwaailichten rijdt voorbij – een ambulance. „Zou mooi zijn als de politie ook eens met sirenes aankomt”, reageert Karski. Als het fout gaat, trekken we een sprint, waarschuwt hij vast.

In de verfstrepen op het skaterstoestel valt ineens ‘Olga’ te lezen. Het stelletje fotografen aan de zijlijn giechelt. Eh, is dit verstandig? Karski glimlacht. „Ah joh, er zijn meer hondjes die Fikkie heten”. Tevreden bekijkt hij het resultaat. „Vamos?” vraagt Karski zijn vriendin.

Het is krap twee uur later, missie volbracht. We kijken nog eens om ons heen. Geen agent te zien, alleen een blowende voorbijganger die twee windhonden uitlaat.

We gaan, gauw.

Bekijk het resultaat op: nrcnext.nl

    • Olga van Ditzhuijzen