Zwartspaarders worstelen met dood geld

Wie stiekem geld op een buitenlandse rekening heeft, mag zich vrijwillig melden bij de fiscus: ‘inkeren’. Dat bespaart een boete, maar levert wel andere problemen op.

(Illustratie Rhonald Blommestijn) Blommestijn, Rhonald

De vader van Jaap was dierenarts. Op zaterdag betaalden boeren hem weleens contant. Een tientje hier, 25 gulden daar. Dat ging in een sigarenkistje van Schimmelpenninck. Jaap (56), nu huisarts, kreeg er soms wat uit om de uitlaat van zijn brommer te repareren. Zijn vader overleed een paar jaar geleden. Nu zijn Jaap en zijn twee zussen ‘inkeerders’.

Jaap wilde aanvankelijk met achternaam en woonplaats in de krant. Maar zijn zussen werden boos. Zo gevoelig ligt dat.

Hun vader deed wat velen in de jaren zeventig deden: hij reed bij tijd en wijle naar Duitsland om het sigarenkistje bij de bank te legen. Later, toen Duitse banken moeilijk deden, werd dat Luxemburg. Het waren de jaren van Den Uyl. De inkomstenbelasting liep op tot 72 procent, met vermogensbelasting erbij tot 80. „Mijn vader werkte zich rot”, zegt Jaap, „’s nachts, weekenden. Dan deed hij de boekhouding en zei: ‘Waarom kom ik mijn bed uit voor 28 procent?’”

Jaaps familie hoort tot een groeiend aantal Nederlanders dat zwart spaargeld uit het buitenland aangeeft bij de fiscus. Van 1 januari tot 9 juli 2009 waren het er, volgens het ministerie van Financiën, 1.565 – meer dan de drie voorgaande jaren bij elkaar. Dat komt doordat de druk is opgevoerd. Zwitserland en Luxemburg prijkten dit voorjaar ineens op een lijst ‘belastingparadijzen’ van de Oeso en G20. België heeft zijn belastinggeheim opgegeven. Nederland kan in deze context belastingverdragen sluiten met diverse landen. Staatssecretaris Jan Kees de Jager (Belastingzaken, CDA) verklaart dat „het Zwitserse bankgeheim voor Nederlanders is opgeheven” [wat anderen betwisten, zie inzet]. Het opsporingsapparaat is verscherpt; boetes zijn verdrievoudigd. Belastingadviseurs zijn strafbaar als ze zwartspaarders niet aangeven.

De tijd dat je op verjaardagen kon zeggen dat je op weg naar de wintersport „langs de bank in Bazel” ging, is voorbij. Zwartspaarders worden geportretteerd als hele of halve criminelen, die miljoenen actief voor de Belastingdienst verstoppen. Natuurlijk, zegt Ruben Freudenthal hoogleraar belastingrecht in Groningen en partner bij Deloitte, „zwartspaarders hebben eens een fout gemaakt. Ze horen belasting te betalen. Maar die hevige criminalisering is overdreven. Een beetje middeleeuws: de galg staat op het dorpsplein, mensen, zoekt u maar stenen!”

Freudenthal begeleidt inkeerders naar de Belastingdienst. Het gaat zelden om miljoenen, zegt hij. Eerder een ton, soms twee. Veel staat decennialang in Zwitserland of Luxemburg, vaak onaangeroerd: mensen kunnen er weinig mee. Inkeerders zijn vaak ouderen, gepensioneerden die de volgende generatie niet willen opzadelen met een probleem. Of het zijn hun kinderen die zich melden, en zeggen: ik vind het niet kunnen. Inkeerders zijn doodgewone mensen in een veranderende tijdgeest. Net als rokers die ineens nergens meer mogen opsteken.

Jaaps vader kreeg in Luxemburg 8, 9 procent. Tientallen jaren lang. „Toen hij overleed”, vertelt Jaap, „stond daar zes ton. Mijn moeder wilde het ons schenken. Twee ton per kind. Maar wat kun je ermee? We betaalden bronbelasting, maar dat is anoniem en wat schimmig. Een ongemakkelijke erfenis.”

Zijn zus las in de krant over de inkeerregeling, opgezet toen tienduizend Nederlanders rekeningen bleken te hebben (gehad) bij de KB Lux. Een voormalig FIOD-rechercheur die aan de wieg van die regeling had gestaan, kon helpen. In Nederland betaal je dan belasting over de laatste twaalf jaar. Toen alle oude afschriften waren nagetrokken, moest Jaap 25.000 euro betalen. Nu is het geld gewit. Het staat nog in Luxemburg. Hij betaalt jaarlijks, op naam, belasting over de rente. „Een plezierig gevoel. Verantwoordelijke burgers betalen belasting. Ik wil hier geen Amerikaanse toestanden. In mijn kringen is zwart geld niet okay. Ik ben ermee opgegroeid en begrijp mijn vader, maar het inspireerde mij niet. Integendeel. Als ik ervoor had gewerkt, had ik het nooit weggebracht.”

Zwitserse bankiers en belastingadviseurs worden overspoeld met telefoontjes van angstige Nederlanders. In mei organiseerde het adviesbureau Loyens & Loeff informatiebijeenkomsten in Genève en Zürich. „The heat is on, so to say!” meldde de brochure. Een beetje wrang, vindt een vermogensbeheerder van een Zwitserse bank: „Grote oplichters die wel miljoenen verstoppen, betalen dure fiscale constructies om hun geld almaar beter op te bergen. Anderen zitten al in Hongkong. Het zijn de gewone lieden, die inkeren. Sukkelaars, eigenlijk. Als de bel gaat, denken ze: O God, de FIOD!”

Het Zwitserse bankgeheim in zijn huidige vorm dateert van 1934 – ook recessie. Duitsland en Frankrijk joegen ook toen op tegoeden van landgenoten. Zwitserland wilde deze mensen (hogere bourgeoisie: ministers, generaals, bedrijfsdirecteuren) beschermen.

In de jaren vijftig begon ‘gewoon volk’, vooral Duitsers en Nederlanders, geld naar Zwitserland te brengen. Niet alleen om fiscale redenen, vertelt Charles Hermann, partner bij KPMG in Zürich, „ook uit angst voor de Russen. Deze generatie had de Great Depression en de oorlog meegemaakt, was twee maal alles kwijtgeraakt. Nu woedde de Koude Oorlog, met kerndreiging. Zij vreesden het ergste. En dachten: dit overkomt ons geen derde keer.” De oudste inkeerders zijn in de negentig. Er zijn er die op hun sterfbed een rekeningnummer noemen. Soms ontdekken echtgenotes in het testament dat er een Zwitserse nummerrekening is.

De belastingdruk in Nederland in de jaren zeventig veroorzaakte de volgende ‘golf’ zwartspaarders. Kleine zelfstandigen – slagers, caféhouders – legden cash apart en stalden het over de grens. Zoals Jaaps vader. „Ook spaarzamen in loondienst deden dat”, zegt Ton Apeldoorn, de ex-inspecteur die Jaap hielp inkeren. „Zij hielden geld over, maar betaalden belasting over de rente en vonden dat zuinigheid gestraft werd. Door naar Luxemburg of Zwitserland te gaan, wasten zij wit geld zwart.”

Toen Nederlandse banken in de jaren tachtig informatie aan de belastingdienst moesten leveren, breidden zij hun kantorennet in België, Luxemburg en Zwitserland uit. Ze adverteerden in de krant: ‘U kunt nu bij ons rekeningen openen!’ Tienduizenden Nederlanders deden dat. Er stonden rijen voor de loketten in Bern en Luik. Sommige bankmedewerkers kwamen het geld zelfs halen, helemaal uit Zwitserland. Apeldoorn zegt: „De context was toen anders. Daar heeft de maatschappij weinig oog voor. Boete en schuld worden zwaar aangezet. Vooral als je ziet hoe sommigen ermee worstelen. Worstelen met dood geld.”

Neem die dame die met haar broer een Zwitserse nummerrekening erfde. Zij wil anoniem blijven. Je kunt niets met dit geld, zegt ze. Als je een auto koopt, krijg je vragen. In de supermarkt neemt niemand een briefje van honderd meer aan. Zij wil ervan af. Haar broer niet: de crisis heeft het bedrag (aandelen) gedecimeerd. Ze leggen erop toe, bij inkeer. Italië biedt soms amnestie, maar in Nederland betaal je twaalf jaar belasting. Ook over de vette jaren, dus. Als deze vrouw zichzelf aangeeft, heeft de FIOD de naam van haar broer ook. Dan krijgt hij een boete, omdat hij niet meewerkt. Die boete is net van 100 naar 300 procent gegaan.

Anderen hebben naamloze trusts opgezet om geld te verstoppen voor hun kinderen (of één van hen) met wie ze ruzie hebben. „In het klimaat van ‘gij zult boete doen’ is voor deze nuances weinig aandacht”, vindt Arjo van Eijsden van Ernst & Young. Ook adviseur J.C. Suurmond uit Monster maakt „droevige gevallen” mee. Zoals mensen wier vermogen ineens meegeteld werd bij hun eigen bijdrage als ze naar een verzorgingstehuis wilden. Om ‘armer’ uit de AWBZ-vermogenstoets te komen, hevelden zij hun spaargeld deels naar het buitenland over. Later werd de toets afgeschaft.

Tijdens een Kamerdebat over de boeteverhoging zat Suurmond als enige op de publieke tribune. Er is iets mis met die boetes, zegt hij. „Zwartspaarders hebben één keer een fout begaan en de boete is 300 procent. Voor andere fiscale delicten is dat 100 procent. Terwijl zwarthandelaars dagelijks de wet overtreden.”

Sommigen vinden dat staatssecretaris De Jager overdrijft. Dat hij met een kanon op muggen schiet. Feit is: vorige week meldden zich ruim honderd inkeerders. Naar hun voorgangers te oordelen, gaan die zich nog lang schuldig voelen. Neem Hein, een gepensioneerde uit de elektronicasector die in de jaren zeventig in Beieren ging werken en jaren later, bij terugkeer, niet alles aangaf. Hein wil anoniem blijven. Hij leest feiten van een A4’tje. „Vermogensopstelling uit 2000: 106.000 euro.” Hij en zijn vrouw reden met nieuwe auto’s naar Nederland. Hij betaalde de keukeninrichting van zijn dochter. Maar het was de moeite niet. Inkeren kostte 20.200 euro.

Rob, ook gepensioneerd, praat er met vrienden evenmin over. Hij werkte vijf jaar in Amerika als bedrijfsdirecteur. Toen hij terugging naar Nederland, liet hij 800.000 dollar achter. Dat zat deels in een bedrijfsspaarregeling, waarover hij in de VS belasting betaalde. „Ik dacht, daar heeft Nederland niets mee te maken.”

In januari 2008 ging hij toch naar de Belastingdienst. „Ik wilde rustig leven. Dit was voor het politieke pandemonium losbrak. Het knaagde. Ik ben geen crimineel.” Rob betaalde 105.000 euro belasting. „Met de rest kan ik nu tenminste iets doen, hè.”