'Je moet oorlog voeren als het nodig is'

Natuurbeschermers, wie zijn zij? Om de duinen te redden, strijdt Kees Piël tegen de vogelkers. ‘Jammer dat ik nu mijn bijl niet bij me heb.’

Het is oorlog in de duinen. Kees Piël is bezig de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) uit te roeien. „Ik haat hem niet, maar hij moet wel weg.” De Amsterdammer struint door het zand aan de zuidrand van Zandvoort, op jacht naar de struik die de duinen overwoekert. „De prunus is een bedreiging voor wat hier inheems is. Hij drukt alles weg. Waar hij staat, groeit niets meer. Als je niets doet, groeien de duinen uit tot één groot kreupelbos.”

Piël rukt opgeschoten exemplaren uit de grond. Loopt naar een prunus die hij eerder heeft gedood. „Mooi hè. Ik heb hier vorig jaar een veldslag geleverd.” Inspecteert struiken die hij eerder met een bijl zodanig heeft bewerkt dat de sapstroom naar de bladeren is onderbroken. Niet altijd is hij tevreden over wat hij aan aantreft. „Wel potverdorie”, roept hij uit bij het zien van een prunus die toch weer is uitgelopen. Woedend rukt hij de bladeren eraf. „Jammer dat ik nu mijn bijl niet bij me heb.”

Piël (61) vecht tegen de vogelkers of bospest zoals hij ook wel wordt genoemd. Piël is een fenomeen. Veel boswachters van Staatsbosbeheer en Vereniging Natuurmonumenten kennen hem en weten niet altijd wat zij met hem aan moeten. De zelfverklaarde prunusjager rukt van kindsaf aan bospest uit de grond. „Schoonmaken in de natuur, die drang heb ik altijd gehad. Ik herinner me dat ik bij een kennis van mijn vader in de bossen al bezig was met de prunus. Ik was zes.” De Amerikaanse vogelkers werd lange tijd in bossen aangeplant als ‘vulhout’ en om andere bomen sneller en hoger te doen groeien. Later zagen natuurbeschermers in dat de struik een zogeheten invasieve soort is, een te bestrijden woekersoort.

Niettemin heeft de bospest zich kunnen uitbreiden. In het algemeen, denkt Piël, doordat de bodem in Nederland voedselrijker is geworden als gevolg van milieuvervuiling. Maar nog belangrijker is volgens hem dat natuurbeschermers hebben nagelaten van de bestrijding werk te maken. „In de jaren zestig werd de prunus bestreden. Maar in de jaren zeventig kwam de klad erin. Eerst kreeg je de doctrine van natuurlijk bosbeheer, die al snel uitliep op spontaan bosbeheer, zodat uitheemse soorten er gewoon bij mochten horen.”

Inmiddels wordt het nut van bestrijding wel ingezien. „Maar men treedt veel te laat op. Dat noemen ze zitstoelbeheer: zitten toekijken hoe de natuur zich ontwikkelt. Ja, in de verkeerde richting.” Hij herinnert zich dat hij als jongeling een fietstocht door de bossen bij het Drentse buurtschap Dunningen maakte. Bij een mooie beek, tussen de bosanemonen, zag hij de vogelkers staan. Hij vroeg aan de boswachter of hij die weg mocht halen. Nee, dat doen we zelf, was het antwoord. „Maar ik kom 25 jaar later op diezelfde plaats en dan blijkt het hele bos dik ondergelopen met prunus. Pure verwaarlozing.”

Of neem het Nationaal Park Zuid-Kennemerland. „In het beheerplan staat dat men streeft naar verwijdering van de vogelkers. Maar wat loopt er door dat nationaal park? Een spoorlijn! En de NS werkt natuurlijk niet mee. Dus wie moet het weer doen? Een armzalig, onderbetaald particuliertje. Ik heb de treintijden in de gaten gehouden en ben over hekken geklommen om de prunus weg te halen.”

Eindeloos veel uren heeft Piël naast zijn baan als magazijnknecht in de natuur doorgebracht. „Het enige wat ik in mijn maatschappelijke carrière heb gepresteerd, is het halen van mijn hbs-b.” Inmiddels is hij met de vut. Echt actievoeren doet hij sinds acht jaar. Het begon met het uitdelen van pamfletten tijdens een lezing in Schoorl. Hij ontmoette er een ecoloog die hem erop wees dat het mondiale biodiversiteitsverdrag het verwijderen van invasieve soorten verplicht stelt. „Dat heeft mij op weg geholpen. Ik dacht: hé, het staat in de wet. Ik heb nu een stok om mee te slaan.” Later ging hij brieven naar kranten schrijven. Inspreken op politieke vergaderingen. Terreinbeheerders benaderen. Maar zijn belangrijke actiemiddel is toch zijn eigen militaire operatie.

„Ik had in het begin gehoopt dat mensen zich zouden aansluiten. Maar dat is niet zo. Ik ben alleen. Helaas.” In dikke boekjes noteert hij de uren en dagen die hij werkt, en de precieze locatie van struiken die hij heeft behandeld. Zodat hij er later kan terugkeren, voor de genadeklap. Per jaar is hij gemiddeld 130 dagen in de weer. Hij vraagt boswachters allang geen toestemming meer. Soms krijgt hij een vergunning, soms niet. De politie pakte hem in de afgelopen jaren drie keer op. „Mensen bellen over een gekke vent in de duinen. Begrijp ik best. Sociale controle juich ik toe.” Hij bracht ook enkele nachten in de politiecel door. Tot vervolging kwam het nooit. „Ik werd meestal beschuldigd van vernieling. Maar ik verniel iets wat allang vernield had moeten zijn. Daarom werd mijn zaak geseponeerd. Niet dat ik geen rechtszaak had gewild. Levert publiciteit op.”

Kees Piël is een oorlogszuchtig mens. „Lekker zweten in de bosjes. En als het lukt, geeft het bevrediging. Na afloop is het feest, en dan ga ik een biertje drinken. Je moet oorlog voeren als het nodig is, want anders gaat het van kwaad tot erger. Dan wordt het een grote troep. Je moet het niet laten sloffen. Ik zeg maar zo: als Churchill voor de oorlog de baas was geweest, dan hadden we nooit van Hitler gehoord.” Het mooie van deze oorlog is volgens de prunusjager dat de vijand uiteindelijk niet meer terugkomt. „De kiemkracht van het zaad van de vogelkers is na vier jaar weg”, zegt hij. „Ha! Gelukkig maar! Stel je voor dat het heidezaad zou zijn! Dan ben je hier tachtig jaar bezig.”

We rijden terug. Piël wijst naar een gemeentelijk park in Zandvoort. „Ook daar zitten ze. Haal ik er illegaal uit.” Een duinvilla trekt zijn aandacht. „Hier woont een mevrouw die niet wil meewerken. Die pak ik nog wel. Ze woont in een natuurgebied en daar is het bestrijden van de prunus verplicht.” Hij vat zijn missie nog even samen. „Ik streef naar een natuurlijke samenstelling van soorten. Dat is heilig. Zoals voor gelovigen het leven zonder God geen zin heeft, zo heeft het natuurbeheer zonder het streven naar een natuurlijke samenstelling van soorten geen legitimiteit.”

    • Arjen Schreuder