'Het is God om het even of mensen gekleed gaan in rood of in zwart'

Cyprian Koscielniak Koscielniak, Cyprian

Maarten ’t Hart laat zijn lezers graag meegenieten van zijn formidabele bijbelkennis, opgedaan in zijn „calvinistisch gehersenspoelde” jeugd (Opiniepagina, 10 juli). Toch moet hij in zijn jonge jaren vanaf de kansel een wat vertekend beeld hebben gekregen van Calvijn, die minder de zuurpruim was dan zoals ’t Hart hem ziet. Laat hij eens Calvijns Institutie van de plank halen en lezen wat de kerkhervormer in het derde boek, hoofdstuk X, 2, op te merken had over ‘Gods aardse gaven’ voedsel en kleding. Calvijn zag deze eerste levensbehoeften niet alleen als een noodzaak, maar ook „voor de vermackelickheyt en verblijdingh. Alsoo heeft hij [God] in de kleederen, behalven de nootsakelickheydt, oock de vercieringh voor oogen gehadt”. En, eveneens in het derde boek, hoofdstuk XIX, 10, stelde Calvijn: „Het is God om het even of mensen gekleed gaan in rood of in zwart.”

Als Calvijn meende te weten dat God het onbelangrijk vond welke kleuren de kleding van gelovigen had, vond hij dat zelf natuurlijk ook. Het calvinisme is dan ook nooit van invloed geweest op de kleuren van de kleding van de kerkgangers. Dat de huidige gereformeerden zich ook nu nog vaak in zwart hullen bij de kerkgang, heeft inderdaad niets met calvinisme te maken (zoals niet alleen ’t Hart meent), maar met de gebruiken en etiquette van de elite. In de 16de eeuw zette het hof van het toen machtige – katholieke – Spanje de toon voor zwarte kleding. In de 17de eeuw was dat het – al even katholieke – Franse hof. Als ’t Hart daar meer over wil weten, zou hij eens een blik kunnen werpen in het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 46 (1995).

Irene Groeneweg

Oud-docent Universiteit Leiden, vakgroep kunstgeschiedenis, Delft