Een kruistocht zou tot teleurstelling leiden

Het is rustig in de Chora-vallei, twee jaar nadat Nederlandse militairen er hevig vochten. Nu werken ze aan de wederopbouw. Maar niet alleen de Talibaan zijn een probleem.

Een terreinwagen met Nederlandse militairen op patrouille in Sarab in de Chora-vallei passeert een boer die terugkeert van de oogst. (Foto Evert-Jan Daniëls) Mirweis/Chora - Nederlandse militairen van de luchtmobiele brigade op patrouille in het stadje Kowtal passeren een afghaanse boer. foto: Evert-Jan Daniels Daniels, Evert-Jan

Het water is op. Weer geen douche deze ochtend op kamp Mirwais in de Chora-vallei. Honderden meters lager stroomt een rivier, maar de Nederlandse militaire post ligt hoog op de droge heuvel, met uitzicht over het dorpje Ali-Shirzai.

De Nederlandse militairen zijn deze ochtend om half vier opgestaan. De zon is nog niet op, de hitte moet nog komen. De oproep uit de moskee tot het vroege gebed galmt tussen de bergen als de Nederlandse militairen de poort uitrijden. Een Afghaan komt gapend zijn lemen huis uit en groet de negen passerende Nederlandse legervoertuigen. Om hem heen zijn huizen in aanbouw. „De Afghanen voelen zich hier veilig. Ze willen graag in de buurt komen wonen”, zegt ritmeester Marea (haar achternaam mag van Defensie om veiligheidsredenen niet worden opgeschreven) van het provinciale wederopbouwteam (PRT).

Twee jaar geleden voerden de Talibaan hier oorlog met Nederlandse militairen. Na dagen van zware strijd – de slag om Chora – leken de moslimextremisten verslagen. Hoe is het er nu, een maand voor de presidentsverkiezingen op 20 augustus?

Vorig jaar noemden de militairen het gebied nog semipermissive, half veilig. Er was altijd kans op Talibaan-aanvallen. Nu zijn het vooral bermbommen die de veiligheid bedreigen. Soms worden wapens gevonden, vorige week nog zeven 107-mm-raketten, begraven in een achtertuin. Maar tot een direct gevecht lijken de Talibaan niet meer in staat.

Rijdend door Ali-Shirzai verzuchten jonge soldaten van de luchtmobiele brigade dat ze ook willen vechten, net als hun voorgangers. Sommigen van hen zijn terug. „Het knallen, het vechten, dat is niet meer”, zegt sergeant Dominique (24). „Toen ik hier in 2006 voor het eerst was, kwam er een Afghaan met ons praten. De volgende dag hing-ie aan een strop aan de boom. Nu kunnen we zonder gevaar met elkaar spreken.”

Het konvooi rijdt langs het schoolgebouw. Destijds was het net klaar. Het passeert de moskee, het ziekenhuis, een groot gebouw waar de militairen sliepen voordat kamp Mirwais klaar was. Nu staat het leeg, uitgewoond door tientallen pelotons.

De militairen zijn zo vroeg vertrokken omdat ze naar Kothal gaan, hemelsbreed circa 20 kilometer ten noorden van Ali-Shirzai. Telkens wordt gestopt, om de weg te onderzoeken op bermbommen. Daardoor kost de reis uren.

Bij aankomst in Kothal is daar dorpsoudste Wasir Jawaan. Gevraagd naar de aanwezigheid van Talibaan, zegt hij: „Het is hier veilig. Geen Talib te zien. We hebben jullie niet nodig, we kunnen alles zelf.” Aan het eind van het gesprek komt hij daarvan terug, als majoor Paul vraagt of er een school is. Jawaan: „Die was er een jaar geleden, maar de leraar en leerlingen kregen een dreigbrief van de Talibaan. De school is nu dicht. We willen geen hulpprojecten, want dan komen de Talibaan. Eigenlijk wil ik best een medische post of een school, maar dan moeten jullie het eerst veilig maken.”

Omdat het zo ver weg ligt, komen de militairen niet vaak in Kothal. Drie maanden geleden waren ze er voor het laatst. Ook leger en politie komen niet in Kothal. Het ligt aan de rand van de ‘inktvlek’, de invloedssfeer waar de Talibaan het niet meer voor het zeggen hebben. Met hun huidige aantal kunnen de militairen Kothal geen permanente veiligheid bieden.

Niet dat iemand zich in Kothal daar druk over maakt. Bewoner Habib Kabanaga: „Het is hier vredig. We hebben geen overheid nodig. Als jullie niet tegelijk met de Talibaan komen, is er niets aan de hand. Maar kom alsjeblieft niet tegelijkertijd. Dan gaat het mis.”

Het is een keuze om vanuit kleine, controleerbare gebieden als Chora geleidelijk uit te breiden naar gebieden als Kothal, zegt Joep Wijnands van Buitenlandse Zaken. Hij leidt het PRT. Deze aanpak verschilt met die van de Britten in buurprovincie Helmand. Die komen op veel plekken, maar stuiten telkens op verzet.

Generaal Tom Middendorp, die het NAVO-contingent in Uruzgan aanvoert: „Je kunt wel allerlei kruistochten door de provincie maken, maar dat leidt alleen maar tot teleurstelling als je geen troepen hebt om er permanent te blijven.”

Nadeel van deze strategie is dat de Talibaan in de buitengebieden hun gang kunnen gaan. Dat blijkt in Sarab, waar de Nederlandse militairen de volgende dag heengaan. Ook dit dorpje ligt aan de rand van de inktvlek; 4 juni waren de militairen er voor het laatst.

Sarab oogt als de Dordogne. Kabbelende beekjes, watervallen. Graan, zoete abrikozen. Op de zandweg passeren kinderen met Unicef-tasjes. Sergeant Chris loopt achteraan in de patrouille. „De Talibaan moeten ons nu al gezien hebben.” Hij wijst naar de bergen. „Zes kilometer verderop hebben ze hun uitvalsbasis. De weg ernaartoe ligt vol bermbommen. Je hebt hier een duidelijke lijn, noem het een frontlijn, tot waar wij kunnen gaan.” Verderop heersen de Talibaan. Geprobeerd wordt de frontlijn op te schuiven.

Maar ook de Talibaan doen pogingen gebied terug te winnen. Op 16 juni werd Sarab aangevallen. Tientallen strijders kwamen het dorp binnen, vertelt dagloner Abdel Akim. „Alle vrouwen en kinderen werden in een huis gestopt. De mannen gingen de strijd aan.” Sarab won, dankzij zijn militie.

De volgende ochtend is de wekelijkse vergadering met het districtbestuur. De lokale gouverneur, Mohammed Daoud, is op reis. Deze twintiger heeft in een jaar tijd de stammen bij elkaar gebracht, weet ritmeester Marea. Daouds vader, de vorige gouverneur, is door Australische special forces per ongeluk doodgeschoten. Ze zagen hem aan voor een Talib.

Het PRT richt zich vooral op de opbouw van het lokale bestuur. Waar ze vorig jaar nog dekens uitdeelden, schuiven ze nu aan bij de wekelijkse vergadering. „Dat de Afghanen nu zelf hun problemen bespreken en oplossen is voor de wederopbouw misschien wel belangrijker dan het slaan van waterputten”, zegt Marea. „Tegenwoordig komt Daoud voor de vergadering naar ons toe om te vragen of de onderwerpen die hij wil aansnijden wel de goede zijn.”

Vandaag staan de scholen op de agenda. Er is een groot probleem, zegt Dahd Mohammed, plaatsvervanger van Daoud. Alle leraren in Chora dreigen ermee te stoppen. Vier maanden geleden kregen ze voor het laatst hun salaris. Majoor Paul legt uit hoe het probleem ontstaan is: „Leraren zijn alleen gecertificeerd als ze een universitaire opleiding gehad hebben. Dat ze niet de juiste papieren hebben, gebruikt de overheid nu als argument om hun niet uit te betalen. Maar hebben ze de universiteit wél doorlopen, dan krijgen ze een baan bij een particuliere hulporganisatie. Daar kunnen ze 600 dollar per maand verdienen, in Chora 70. Daar kunnen we geen oplossing voor vinden.”

De Talibaan zijn niet langer het enige obstakel voor wederopbouw van Chora. De stroperige centrale overheid is de nieuwe vijand. Bestuurder Dahd Mohammed is kritisch over zijn eigen regeringsleider: „Karzai gaat het hier heel moeilijk krijgen bij de verkiezingen.”