Vertrouwde problematiek in gespierde stijl

Wells Tower: Everything Ravaged, Everything Burned.

Farrar, Straus and Giroux, 238 blz. € 22,95 ****

Het openingsverhaal van deze verrassende debuutbundel is raak, en wel zo raak dat het een van de beste Amerikaanse verhalen van deze nog korte eeuw genoemd mag worden. Wells Tower (North Carolina, 1973) voert in Everything Ravaged, Everything Burned, Bob Munroe op die, na een kleine onzorgvuldigheid in overspelige zin, door zijn vrouw het huis uit is gezet. Zijn oom Randall stuurt hem naar Florida met een lijst vol klusjes, uit te voeren in een huis dat hij daar bezit en dat voor de helft aan Bob toebehoort.

Het huis is een ramp en de locatie al evenzeer. Enige troost vindt Bob in het verzamelen van vissen die hij uit een ondiep stuk zee opschept en loslaat in een aquarium ter grootte van een doodkist. En daar hebben ze gezelschap van een verdronken vleermuis, een flesje haartonic, flessendoppen. Bobs verblijf leidt een wat precaire vriendschap in met de nieuwe buren, van wie de man een gezicht heeft dat ‘bijna alleen uit wang bestond, met scheve trekjes die er uitzagen alsof ze er in grote haast tegenaan waren geplakt.’

Hoe het afloopt doet er hier niet toe, maar het verhaal is meesterlijk gecomponeerd, en de daarop volgende zijn van hetzelfde niveau. Wells is op zijn best in de bizarre confrontatie van uiteenlopende personages en het tot in het uiterste uitspelen van de mogelijke gevolgen van die confrontatie zonder de grenzen van een absurdistisch realisme te overschrijden.

Het merendeel van de verhalen heeft personages als onderwerp voor wie de ander een rotzorg is, en dat leidt tot dialogen waar de vonken af en toe vanaf springen. Tot hilarische metaforen ook, al zijn die helaas niet altijd geslaagd. Het uiterlijk van een dodelijk zeemonstertje beschrijven als ‘een drol van iemand die robijnen gegeten heeft’ is nog wel tamelijk briljant. Maar het interieur van een huis dat wat al te enthousiast van ornamenten is voorzien omschrijven als ‘iets dat je voor je maîtresse zou kopen om te dragen bij een weekeinde in een goedkoop motel’ is meer iets voor een stand-up comedian.

Losers, mensen die op drift geraakt zijn, contacten die vanuit het niets ontstaan en weer in het niets verdwijnen: het is allemaal, voor wie enigszins bekend is met Amerikaanse literatuur van de laatste decennia, vertrouwde problematiek, maar Tower vertelt het in een meesterlijke, gespierde en geweldig economische stijl.

Een stuk of vier van de verhalen in deze bundel is van hetzelfde indringende gehalte als het openingsverhaal, maar na de helft zakt het een beetje in. En het is onfortuinlijk dat besloten is de bundel de titel te geven van een van de minste verhalen.

Towers beste verhalen hebben de urgentie van Richard Ford en de, vaak briljante, onverwachte wendingen van iemand als Tobias Wolff – maar ook de vergelijking met generatiegenoot Ethan Hawke dringt zich op. Ze markeren hem als een zoekend, maar meer dan veelbelovend talent.