Twee jaar cel voor geweld tegen NS-medewerkers

De rechtbank in Lelystad heeft twee mannen uit Almere twee jaar celstraf opgelegd wegens grof geweld tegen een conducteur en een tweede NS’er in Almere.

Het bewijs voor de diefstal was snel gevonden: verdachte Bernard Z. (19) had bij zijn aanhouding in een coffeeshop de uniformjas van de mede door hem gemolesteerde treinconducteur nog aan. Daarin zaten de identiteitspapieren van de NS-medewerker én een bankpas van de vriendin van Z. Droogjes merkte de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad in het gisteren uitgesproken vonnis op: „Daaruit wordt afgeleid dat verdachte de jas van het station naar de blowboot heeft meegenomen.”

Z. en zijn medeverdachte L. (25) werden gisteren beiden veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Beiden werden bovendien veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Zij kwamen eerder met justitie in aanraking.

Op 19 maart pleegden zij geweld tegen een conducteur, die met een collega op het perron van Almere-Centrum een trein stond op te wachten, omdat melding was gemaakt van een luidruchtige groep Antillianen. De veroordeelden, van Antilliaanse afkomst, zaten in die trein. De treinconducteur hield aan de – om onduidelijke redenen begonnen – vechtpartij een gebroken rib en een hersenschudding over. Zijn collega die hem te hulp schoot, bleef ongedeerd.

Het incident trok nationaal aandacht. NS-personeel ging naar aanleiding ervan over tot een werkonderbreking.

De gisteren opgelegde straf is fors én opmerkelijk, omdat de officier tijdens de rechtszaak op 2 juli tegen L. ‘slechts’ twintig maanden had geëist. Hij had voor de primaire tenlastelegging, poging tot doodslag, geen veroordeling geëist. Maar de rechter achtte poging tot doodslag bewezen en sprak zelfs van een „voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] van het leven te beroven”. L. had de conducteur tegen de adamsappel geschopt en daarmee „willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [het slachtoffer] daardoor kan komen te overlijden”. De rechtbank voegde daaraan toe: „Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ernstig letsel van hoofd en nek tot de dood kan leiden”.

Gezien deze overwegingen is het vervolgens opmerkelijk dat Z. dezelfde straf kreeg als L. In zijn geval achtte de rechtbank poging tot doodslag niet bewezen. Z. had ‘slechts’ de omstandigheid gecreëerd voor de poging tot doodslag door het slachtoffer tegen de grond te werken, waarna L. hem kon schoppen.

Het komt erop neer dat Z. twee jaar krijgt wegens zware mishandeling, en het openlijk plegen van geweld tegen personen en diefstal en L. voor poging tot doodslag en dezelfde geweldpleging.

Beiden wordt de maatschappelijke onrust naar aanleiding van het incident zwaar aangerekend. De rechtbank nam ook de NS-werkonderbreking mee in de overwegingen, en achtte het verder „onacceptabel dat jegens personen met een publieke taak (...) tijdens de uitoefening daarvan geweld wordt gepleegd”. Bij de strafmaat is hiermee rekening gehouden „in die zin dat een zwaardere straf zal worden opgelegd dan wanneer sprake zou zijn geweest van geweld jegens ‘gewone’ burgers”.

De NS laat weten in een civiele procedure de schade te verhalen op de daders, zodra de hoogte daarvan bekend is.

Lees de uitspraak op nrc.nl/binnenland