Snijden in een ziekenhuis

Bij de verbouwing van een klooster en ziekenhuis uit de jaren vijftig ontmaskert architect Matthijs Bouw de traditionele stijl van het complex. Baksteen blijkt in Deventer beton te verhullen.

Klooster van J.A. van der Laan verbouwd door Matthijs Bouw Foto’s Eric Brinkhorst Bij de verbouwing van een klooster en ziekenhuis uit de jaren vijftig ontmaskert architect Matthijs Bouw de traditionele stijl van het complex. Baksteen blijkt in Deventer beton te verhullen. deventer / verbouwing van het Sint Josef Gezondheidscentrum in Deventer (One Architecture (020-4700040) voert dit uit). CS 17 juli / ©foto eric brinkhorst Brinkhorst, Eric

Schone schijn heb ik nooit kunnen verdragen. Altijd moet het mes erin, ook op feesten en partijen. Ik pulk tot de wond weer gaat bloeden, ik pulk zo bezeten dat het heftiger gaat bloeden dan het ooit heeft gedaan. Onvervalst protestantisme, zou je kunnen zeggen; te allen tijde moet er verantwoording worden afgelegd. Maar misschien ligt de grond van die waarheidsdwang nog meer in een zogenaamde ideale jeugd die mijn ouders voor mij op hun oorlogsherinneringen hadden bevochten; elke dag spartelde ik in het zwembad, op school knutselde ik erop los, de tuin was diep en vol verborgen plekken, en ook van de kwispelstaart van de jaren zestig kreeg ik nog een vrolijke zwieper mee; ik vermaakte me zoals ik me geacht werd te vermaken maar voelde dat er iets niet klopte, dat die idylle uit een brouwsel van ellende en pijn was gewrochten. Ik werd er onbehaaglijk van, ik wist niet wat ik kreeg, en of het wel voor mij bestemd was of voor mijn ouders zélf, om hen gerust te stellen en met het leven te verzoenen. Het mag dan ook geen wonder heten dat ik altijd weer moet weten ‘wat er werkelijk aan de hand is’. Al filerend stel ik mijzelf gerust en schep ik ruimte voor mijzelf, eigen ik me de wereld toe.

Dat er desondanks veel voor schone schijn te zeggen is, werd ik me bewust toen ik jaren geleden in het zuiden van het land de eerste communie bezocht van een jochie wiens ouders in scheiding lagen. Duizelingwekkend, zelfs opwindend was het om te zien hoe zijn ouders hem naar de priester begeleidden; zalvende woorden hadden de jongen omspoeld, over liefde geven en erbarmen, en de hostie die hij voor het eerst mocht doorslikken, maakte hem deelachtig aan Zijn Liefde, maar de volgende dag zouden zijn ouders de draad weer oppakken en hun bittere strijd via hun advocaten voortzetten. Even hadden ze gedaan alsof er niets aan de hand was, even hadden ze de schone schijn hooggehouden om ruimte te scheppen voor hun verlangen dat hun zoon een goed leven zou krijgen, opgenomen in de geborgenheid van de katholieke geloofsgemeenschap. Waarom zou dat plaatje kapot moeten? Welke waarheid zou er zo nodig opgediept moeten worden, en wat houd je dan uiteindelijk in handen? De trauma’s verwerkt, zoals de psychologie wil doen geloven, of de trauma’s door dat graven juist dieper, pijnlijker gemaakt?

Diezelfde vragen laten zich bij een verbouwing stellen. Althans, het zijn de vragen die architect Matthijs Bouw (1967) van One Architecture zich stelde toen hij het voormalige ziekenhuis en klooster Sint Jozef in Deventer moest verbouwen tot een gezondheidscentrum. Bouw, streng protestant opgevoed en zijn opleiding aan de TU Delft doordesemd met hardcore-modernisme en het adagium ‘alles eerlijk tonen’, kreeg een door en door katholiek gebouw in de schoot geworpen, een gebouw uit halverwege de jaren vijftig, dat vanwege zijn cultuurhistorische waarde door minister Plasterk ook nog eens als wederopbouwmonument was aangewezen. De verbouwing is nagenoeg voltooid, het gezondheidscentrum wordt deze zomer in gebruik genomen.

Katholicisme en wederopbouw, dat is een verdubbeling van schone schijn. Schone schijn met een valse glans. Maar in de jaren vijftig was er geen keus. Het was een kwestie van vitaliteit; om verder te kunnen gaan, móést de oorlog verdrongen worden. Sta je voor het hoofdgebouw, dan zou je tot je kunnen laten doordringen wat je doorgaans geneigd bent te vergeten: dat iedereen die toen bij de bouw betrokken was, van architect tot metselaar, familie en vrienden had verloren, honger en angst had, had gecollaboreerd, in het verzet had gezeten, niets had gedaan, hoe dan ook diep vernederd was door de bezetting. De bakstenen gevel getuigt van een discreet classicisme. Classicisme wordt niet nadrukkelijk als stijl geponeerd, maar als vanzelfsprekend gebracht, omdat het nou eenmaal gepast was voor zo’n institutioneel gebouw. Boven de ingang een bronzen beeld van Maria op een ezel, Jozef er zedig naast. Binnen, aan weerszijden van de ingang, fraaie glasappliques, van Jonas en de vis, Adam en de slang. Kunst en architectuur verstrengeld, ook daarin spreken de jaren vijftig.

Achter het hoofdgebouw bevinden zich de beddenvleugels, het klooster en de ommegang. De zuilen zijn als bescheiden luciferhoutjes. De gebouwen zijn niet strak en coherent vormgegeven. Terugkerend zijn wel de ingetogen stijlkenmerken van de Delftse School, een architectuurstroming die zich afzette tegen het modernisme en teruggreep op de traditie. Het complex laat zich nergens op aanspreken, het galmt niet maar fluistert, het heeft iets bleeks en angstigs en getuigt vooral van serviliteit, het dienen van de gemeenschap. Van uitdrukking van de moderniteit is niets terug te vinden. De katholieke architect J.A. van der Laan heeft geprobeerd over de oorlog heen te stappen en aansluiting te zoeken bij de oude tijd, buiten de tijd te staan. Alsof de twintigste eeuw voos was en alleen maar gedrochten kon baren. Alsof de tijd als zodanig gewantrouwd moest worden.

Een beddenvleugel en het klooster

moest Bouw omvormen tot een gezondheidscentrum, het hoofdgebouw en de andere beddenvleugel worden nog door hem ontwikkeld . Een groot gebouwencomplex van een nieuwe functie voorzien vergt forse ingrepen. Bouw legt het complex geen eigen stijl op, hij laat de traditionele signatuur zoveel mogelijk in zijn waarde. Dat zou je bescheiden kunnen noemen, zeker voor een protestant, een modernist. Tegelijkertijd zijn zijn ingrepen radicaal. Hij sneed twee rechthoeken uit de ommuring, kliefde een van de beddenvleugels doormidden en schiep daarmee ruimte voor een parkeerplaats. Ingelegde bakstenen tussen de tegels van de parkeerplaats geven aan waar de muren stonden. Dramatischer is het snijvlak van het gehalveerde gebouw. Vanwege de glazen gevel oogt het als een medisch preparaat, een afbeelding van een opengelegd lichaam, en je ziet geëxposeerd wat Van der Laan achter het baksteen heeft weggemoffeld: betonnen kolommen, betonnen vloeren. Het complex staat niet buiten de tijd, maar behoort wel degelijk toe aan de brute twintigste eeuw.

Ook op andere plekken in het complex heeft Bouw zijn plagerige ontmaskeringspel gespeeld. Zo heeft hij de twee vloeren in de kloostertoren verwijderd; voor het eerst valt het licht van boven omlaag en glijdt het langs de betonnen randen. Op een van de binnenplaatsen zijn de keuken en de keukenvloer afgebroken. Zonlicht dringt door tot in het souterrain, het betonnen karkas is helemaal aan de oppervlakte komen te liggen. Het lijkt alsof Bouw de ware aard van het gebouw aan het licht heeft gebracht. Maar zo is het niet, en zo heeft hij het ook niet bedoeld. Zijn uitsneden zijn als plaatjes, afbeeldingen. Ze laten niet het inwendige zien, maar het inwendige dat uitwendig is gemaakt. Het complex blijft daardoor wat het is, wordt door de uitsneden nog méér wat het eigenlijk is, namelijk een aaneenschakeling van decorstukken, een verhaal over zichzelf. Onthulling betekent hier: een nieuwe buitenkant scheppen, een nieuwe huid. Een volgend verhaal dat zich ontvouwt en om onthulling vraagt.

Grotendeels nieuw is het gebouw

van de Bloedbank. In de lange, witte gevel hebben Bouw en beeldend kunstenaar Berend Strik een reliëf gemaakt. Op panelen delen van ingewanden. Van veraf lijken ze plat, als een afbeelding. Maar sta je dichtbij, dan worden ze plastisch, tactiel. Berend Strik (1960) voegde nog enkele keramische witte bloedcellen toe; over de functie van het gebouw hoeft geen misverstand meer te bestaan. Loop je even door, dan zie je door een van de ramen mensen op knalrode stoelen bloed geven - ze maken een vredige indruk, alsof ze in het afstaan van bloed hun bestemming gevonden hebben.

De geest van de jaren vijftig heeft Strik in glas appliques voortgezet. Ook daarin speelt hij het imaginaire en het fysieke tegen elkaar uit. Het in glas gegoten hoofd van een dokter is concreet en onomstotelijk, de oude zwart-witfoto van een zuster doet denkbeeldig aan, als een vage, moeilijk te vatten herinnering. De appliques laten zich vergelijken met zijn bestikte en geborduurde foto’s, die vandaag en morgen nog te zien zijn bij galerie Fons Welters in Amsterdam. De foto’s doen hun best iets in herinnering te roepen, een voorval, een betekenis. Maar wat zich als ervaring aandient, ligt in de directe presentie van draad en stof vervat. Het gegoten glas, het stiksel, borduurwerk, textiel – het zijn de toevoegingen die diepte aan de foto’s verschaffen en een ervaring genereren die we geneigd zijn als ‘waar’ te betitelen.

Ook het afsnijden van de beddenvleugel door Bouw heeft dat effect. Van veraf is het snijvlak glad en ondoordringbaar als een foto of striptekening. Wat hij blootlegt, maakt hij in één en dezelfde beweging imaginair. Kom je dichterbij, dan zie je dat de glazen wand losstaat van het gebouw. Er ontstaat diepte, een ruimte die zowel fysiek als mentaal is. Een dubbelzinnige ruimte dus, om af te tasten en de geest in los te laten. Een beweging in wat zich voor ons als een ruimte aandient, zoals ook inzicht een beweging veronderstelt van de blik ergens ‘in’. Zo bezien is wat we als ‘waar’ beschouwen eerst en vooral een ruimtelijke ervaring. Dat maakt architectuur zo aansprekend. Architectuur is in laatste instantie niets dan ruimte en begrenzing, kadrering en perspectief. Architectuur is niet alleen de vertaling van een idee, de verbeelding van een idee, maar altijd ook de gestalte van een idee zélf, ruimte die een beweging uitlokt.

Wat dus te denken van de schone schijn? Bouw en Strik halen de schone schijn niet neer, ze laten in stand wat met verbeten optimisme in de jaren vijftig is opgericht. Maar ze blijven niet bij het valse plaatje steken. Het is ze te plat, als artefact van de geschiedenis zo goed als ondoordringbaar. Ze breken het gebouwencomplex open, brengen er diepte in aan, perspectief, zodat er ruimte ontstaat om het ook in deze tijd te kunnen ‘lezen’. Plasterk kan tevreden zijn, een respectvoller behandeling van het voormalige ziekenhuis en klooster laat zich niet denken.

Weer moet ik aan die communie van jaren geleden denken. Na de religieuze voorstelling was er een lunch in het huis van de familie. Iedereen deed erg zijn best, iedereen zat op het puntje van zijn stoel om niets te verstoren, niets pijnlijks te zeggen, er werd gekeuveld en de jongen kreeg schitterende cadeaus van zijn ouders en grootouders. Het verliep allemaal naar behoren, tot de ouders van de moeder vertrokken. Ze steunden hun dochter in de strijd, onvermijdelijk waren ook zij partij in de scheiding. De vader van de jongen drukte hen de hand en kon zich, na zich al die uren goed gehouden te hebben, niet meer beheersen. ‘Tot ziens in de rechtszaal’ zei hij, en het bejaarde echtpaar verstrakte.

Zijn sneer was oprecht en schiep perspectief in een middag die zich angstvallig zo plat mogelijk had opgehouden. Als de ingrepen van Bouw en Strik was de sneer vitaal, een krabben aan een spiegelglad oppervlak. Niet omdat zij de schone schijn als een farce afdeed, niet omdat altijd maar weer de onderste steen boven moet, maar om de schone schijn levensvatbaar te houden en ruimte te scheppen, ruimte waarin wat krampachtig verborgen wordt, zich alsnog laat ervaren.

St. Jozef Gezondheidscentrum, Louis Pasteurstraat, Deventer.

    • Edzard Mik